Friedrich Hebbel

In 1836 werd Friedrich Hebbel 23 jaar. In de herfst van dat jaar, juister, op 19 oktober, droomde hij het volgende.

»Vannacht droomde ik dat ik Napoleon zag: ik vroeg hem naar zijn oordeel over het tweede deel van Heine’s Reisebilder.«

En het volgend voorjaar:

»München, 29 mei 1837. Onlangs zag ik in een droom een verliefde jongeman bij haar ouders door middel van vioolspel naar de hand van zijn geliefde dingen, en verwonderde mij erover dat hij op twee violen tegelijk speelde.«

200px-Friedrich_Hebbel

Hebbel heeft zelf ook aan de droom gedichten gewijd. Het volgende bijvoorbeeld, over de geboorte-nacht. De vertaling is wat aan de magere kant voor zo’n gewichtig onderwerp, maar rijmdwang geeft niet altijd alle ruimte aan de poëtische gloed die de oorspronkelijke regels verlichten.

Geburtsnacht-Traum

Ich durfte über Nacht im Traum
Ein seltsam Fest begehen,
Ich habe meine Väter all
Um mich vereint gesehen.

Mein Vater führte stumm den Zug,
Er lächelte hinüber,
Dann aber wandte er sich ab,
Ihm ward das Auge trüber.

Es war der letzte, welcher starb,
Noch hatt’ er all die Milde;
Der Himmel hatte nichts verschönt
An seinem teuren Bilde.

Großvater nahte nun heran,
Der mich zu wiegen pflegte,
Eh’, wie er mich, ihn selbst der Tod
Ins stille Bette legte.

Ich habe ihn sogleich erkannt,
Als hätte, wie die Nische
Den Heiligen, mein Herz sein Bild
Bewahrt in voller Frische.

Sein Auge weilte, wie erstaunt,
Auf mir und schien zu fragen:
Bist du dasselbe kleine Kind,
Das einst mein Arm getragen?

Großmutter auch, sie nahte sich,
Die mildeste der Frauen;
Auf meinen Vater schien sie bald
Und bald auf mich zu schauen.

Und als sie fand, daß ich ihm glich,
Ging in den bleichen Zügen,
Als wär’s ein neues Leben, auf
Das innigste Vergnügen.

Nun trat ein ernster Mann herzu,
Den ich nicht mehr erkannte,
Doch sah ich, daß er freundlich sich
Zu meinem Vater wandte.

Und immer größer ward die Schar
Von Männern, welche kamen,
Und stets durchzuckte mir’s die Brust:
Du bist von ihrem Samen!

Auch zarte Frauen nahten viel
In Trachten, fremd und eigen;
Ein schlummerndes Jahrhundert schien
Mit jeder aufzusteigen.

Die sanften Augen waren all
So süß auf mich geheftet,
Doch war der lächelnd holde Mund
Zur Rede zu entkräftet.

Vom Turme schlug es, dumpf und bang,
Sie schieden mit Getümmel;
Die Männer deuteten aufs Grab,
Die Frauen auf den Himmel.

Das war die Stund’, die mich gebar;
Nun frag’ ich mich mit Beben:
Ob sich das Leben und der Tod
Im Grabe noch verweben?

Ob, die sich regt in meiner Brust,
Die ungestüme Flamme,
Die Toten noch im Schlummer stört,
Aus deren Blut ich stamme?

Ob sie mir blaß zur Seite gehn,
Unmächtig, zu erscheinen,
Und lächeln, wenn ich glücklich bin,
Und wenn ich’s nicht bin, weinen?

Und ob ich selbst dereinst mein Kind,
Statt ruhig auszuschlafen,
Durch Nacht und Sturm begleiten muß
Bis an den letzten Hafen?

-*-*-*-*-*-

Geboortenachtsdroom

‘s Nachts kon ik in een droom
een zeldzaam feest ondergaan
waarbij ik al mijn voorvaderen
samen om mij heen zag staan

Mijn vader zwijgend voorop
glimlachte wat voor zich uit,
wendt zich daarna langzaam af.
terwijl hij bedroefd de ogen sluit.

Hij was de laatste die overleed
nog vol van alle zachtheid;
De Hemel had aan zijn beeld
geen extra glans gewijd.

Grootvader kwam nu naderbij
die mij zo zachtjes te wiegen placht
voor hij mij, zelf al bijna dood,
naar mijn stille bedje bracht.

Ik heb hem meteen herkend,
alsof, als een heilige in zijn nis,
mijn hart zijn beeld bewaart,
zo puur en nieuw en fris.

Zijn oog bleef even hangen,
leek haast verbaasd te vragen
Ben jij datzelfde kind
dat ik ooit op mijn arm kon dragen?

Ook grootmoeder kwam dichterbij
de zachtste aller vrouwen
via mijn vader leek ze al gauw
alleen mij te willen beschouwen.

En toen ze vond dat ik wel op hem leek
doortrok heel de kleurloze kring,
als was het een heel nieuw leven,
een wondebare gelukkige trilling.

Nu kwam een ernstige man naar voren
die ik niet werkelijk herkende
maar ik zag hoe hij zich
vriendelijk tot mijn vader wendde.

En steeds groter werd de kring
van mannen die van overal toekwamen
en ineens realiseerde ik mij daarop:
“Jij bent van allen samen!”

Ook tedere vrouwen kwamen naderbij
in klederdracht, vreemd of eigen,
het leek een sluimerende eeuw
die met elkeen op kon stijgen.

De zachte milde ogen van allen
waren zo zoet op mij gericht
maar de glimlachend, toegenegen mond
gaf niet een verstandelijk bericht.

Vanaf de torens klonk het dof en bang
ze gingen met luidruchtig gezemel
de mannen wezen naar het graf
de vrouwen naar de hemel.

Dat uur dat bracht mij voort
en, zo vraag ik mij met enige beven,
of het leven en de dood zich
in het graf nog met elkaar verweven?

of, dat de onstuimige vlam
die zich in mijn borst roert,
de doden, uit welks bloed ik stam,
nog in hun sluimer beroert

of dat ze mij bleek terzijde gaan
niet bij machte te verschijnen
maar glimlachen als ik gelukkig ben
huilen als ze mij zien kwijnen?

En of ik, in plaats van rustig uit te slapen
zelf ooit op een dag mijn eigen kind
door duister en stormen begeleiden zal
tot het dan een veilige haven vindt.

Boom

2 juni 1964

Ik droomde vannacht dat ik een boom werd. Voor het zover was, zaten we in een schoollokaal waar het ook al niet pluis was, ik weet niet waarom. Vooral Pieter Rommers maakte een treurige indruk. Reeds in de gang, op weg naar buiten, voelde ik een korst op mijn lip. Ik trok hem eraf, maar daaronder zat een even harde schors. Ik liep naast Pieter Rommers en zag een gore vlek op zijn hand. Ik raakte die aan: de vlek was ruw en hard. Toen ik naar mijn eigen hand keek zag ik hetzelfde. De vlek werd groter, verspreidde zich over de huid. Buiten gekomen, in het gras, voelde ik me zwaarder worden, steeds zwaarder. Ik kon mijn voeten niet meer verzetten. Ik wilde Dafne kussen maar ik kon niet meer naar haar toe, ik kwam niet meer van mijn plaats, ik kon me alleen maar omdraaien en voelde me steeds harder worden. Mijn huid, mijn lichaam, alles werd harder, werd van hout. Ik bleef draaien, zo ver ik kon, in mijn verschrikkelijke verlangen naar Dafne. Mijn voeten zaten nu in de aarde, ik kon niet verder draaien, ik kon niet terugdraaien, ik had wortel geschoten, ik was een boom.
Toen ik wakker werd, dacht ik meteen: een eucalyptus. Ook zo gedraaid, alsof hij al draaiende, met inspanning, zichzelf uit de grond trekt, net zoals ik al draaiende, met inspanning, mij uit de grond probeerde te trekken. Een eucalyptus. Mooie boom, maar een boom. Het gevoel dat bleef, uit de droom, en dat zich heel duidelijk voortzette in wakende toestand, zo duidelijk dat de tranen uit mijn ogen stroomden, was een gevoel van werkelijk verterend heimwee naar de dingen die ik als boom niet meer kon: lopen, praten, een vrouw tegen me aan voelen, haar lippen kussen, mijn handen op haar borsten leggen, iets zachts voelen. En waarom dit zo vreselijk was: het sloot precies aan bij mijn gedeprimeerde gedachten van de laatste tijd. Faculteiten verliezen, talenten verkwisten, inertie, stagnatie, stilstand, verlies van oorspronkelijkheid, van creativiteit, van activiteit van denken en voelen. Door de drank?
uit: Agust Willemsen – Vrienden, vreemden, vrouwen (Amsterdam, Arbeiderspers, 1998, p 385)

guus

Oorzaak als gevolg

Oorzaak als gevolg
Ik droom dat ik de langzaam rijdende auto die ik bestuur niet tot staan kan brengen. Een botsing is niet te vermijden. Een bons op de deur maakt mij wakker.
Deze droom herhaalt zich met varianten van de details, meestal zonder grote ongelukken. De auto rijdt soms achteruit, dan weer vooruit en komt nu eens tegen een paaltje tot stilstand, dan weer tegen een muur, maar in alle varianten is de droom een triviale versie van de Tovenaarsleerling: ik kan de krachten die ik ontketen niet beheersen en dat hindert mij kennelijk meer dan ik wil weten. Misschien zoek ik er te veel achter en vertolkt de droom alleen mijn argwaan tegen machines.
In de beschreven vorm verklapt de droom ook het mechanisme van de waarneming. Ik denk dat iedereen dit patroon van de droom herkent: een doffe klap ontketent de droom, maar voordat ik mij van het geregistreerde geluid bewust word, heeft de droom alle tijd om een verhaaltje te ontwerpen waar het geluid in past. In mijn droom neem ik geen doffe klap waar, maar het geluid van een botsing. Als ik wakker word neemt mijn bewustzijn de regie over, maar de procedure verandert niet: ik neem ook nu geen doffe klap waar, maar de bons waarmee iemand op de deur slaat.

Censuur
De waarneming staat onder de controle van een verklaring. Mijn bewustzijn levert een ander soort verklaringen dan mijn dromen, maar nooit wordt de waarneming zonder verklaring afgeleverd. Een droom is meestal te argeloos om mij voor de gek te houden. Ik zie zo dat de droom oorzaak en gevolg verwisselt; het is maar een droom. Om te zien dat ook de bewuste waarneming onder censuur staat, moet ik mijn waarnemingen uit elkaar rafelen. Ik zie geen meteoriet of een vliegende schotel aan de nachtelijke hemel, maar een lichte vlek tegen een donkere achtergrond. Als ik hetzelfde verschijnsel als het boord-licht van een laagvliegende straaljager waarneem dan heb ik in die
waarneming bovendien de indruk van aanzwellend en verstervend lawaai verwerkt. En alleen al door geluid lawaai te noemen onderwerp ik het aan een oordeel. Luister ik naar de Pulcinella van Stravinsky dan hoor ik het lawaai als muziek en weer benoem ik een vooroordeel in plaats van een verschijnsel.

Gerrit Noordzij in De handen van de zeven zusters

K. Michel

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

dichter K. Michel, in een uitzending van De Avonden op 3 augustus 2012, over dromen.

Schoon dieplood

»DE DROOM.
Dat dromen geen bedrog zijn, weten we allen sinds de grote Weense psychiater Sigmund Freud het dieplood van zijn kennis in dit duistere gebied heeft laten zinken en daaruit de wetenschap naar boven heeft gebracht, dat in de droom ons onderbewustzijn spreekt. Wat we in wakende toestand verdringen, komt in de droom aan het woord. Dit inzicht is vooral voor het genezen van zenuwstoornissen van waarde gebleken. Maar wanneer wij over de waarde van de droom spreken bedoelen we nog iets anders. Een droom in wijdere zin is bij ons een dichterlijke voorstelling, die waarder is dan de nuchtere realiteit, daar ze van een hogere werkelijkheid getuigt. In de droom uit zich ‘t beste van ons wezen, dat bij brood alleen niet leven kan. Onze rede kan God niet geheel benaderen. Ware dat wel zo, dan zou de knapste mens ‘t meeste van Hem weten, wat geenszins het geval is. “‘t Hart heeft zijn redenen, die de rede niet begrijpt”, heeft Pascal gezegd. De zekerheid van Gods tegenwoordigheid welt uit de diepten van ons hart. Zij is de droom der dromen; ‘t hoogste, ‘t beste, ‘t schoonste, waartoe de mens in zijn meest poëtische ogenblikken kan stijgen. Aan hen, die niet in staat zijn deze droom te dromen, kunnen wij de overtuiging van Gods tegenwoordigheid niet schenken. Deze tragische onmogelijkheid hebben allen ondervonden, die dit hebben beproefd. Boutens heeft ‘t zo juist gezegd:

„Zij die dromen en die waken,
Wonen mijlen uit elkander.
En vergeefs wil d’een de ander
Tot zijn hartsgelijke maken,
D’ één moet dromen, de ander waken.”

Machtig is de droom. Dat blijkt ook uit de kunst, waarbij niet ‘t verstand voorop staat, maar de fantasie en de dichterlijke scheppingskracht, het vermogen de schone droom vorm te geven. Toen we de tentoonstelling van Weense kunstschatten in het Rijks Museum bezochten, bedachten we hoe de politieke gebeurtenissen uit vervlogen eeuwen verdwenen en welhaast vergeten zijn; maar de machthebbers uit die tijden, de pausen en de keizers leven voort in de visie, die kunstenaars, een Titiaan, een Velasquez, op hen hadden. De droom heeft standgehouden.
De Rooms Katholieke Kerk geeft vóór, het godsrijk op aarde te zijn. Al ontkennen wij, dat ze daarin gelijk heeft, toch is de droom van één kerk, die allen omvatten moet, schoon. ‘t Protestantisme weet, dat de ware kerk onzichtbaar is; ook die onzichtbare kerk, die gemeenschap der heiligen, is een schone droom. Hoeveel troost, hoe ‘n diep gevoel ook van eenheid heeft het geloof in Gods liefde, die uitgaat tot allen, geschonken. Allen die pogen tot een broederrijk te komen, voeden zich nog met dat geloof, met die droom, ook al weten ze ‘t niet. Kan geen verstandelijke redenering de droom bewijzen, geen kan haar ook vernietigen, daar ‘t God zelf is, die de schone dromen voedt.«

uit: dr A. Mankes-Zernike, Bijbelse portretten (Bussum, Voorhoeve, 1948)


Anne (Annie) Mankes-Zernike, links getekend door Jan Mankes in 1915, rechts op een foto uit 1950/60
bron foto

Uit het “ten geleide” bij het boek: »[…] Preken moeten op geen enkele manier gelezen worden, niet van de kansel af en niet later uit een boek. Het mogen toespraken, geen voorlezingen zijn.
Nochtans is het verlangen begrijpelijk, bij wie ze uitsprak, misschien ook bij wie er naar luisterden, er iets van te zien vastgelegd. En daarom bied ik u, nu ik spoedig mijn predikambt zal neerleggen, een 40-tal uittreksels aan uit preken die ik de laatste jaren gehouden heb, […]. ‘t Zijn dus korte reflexen van het gesproken woord.”«

de documentaire film van Omrop Fryslân over mevrouw Mankes-Zernike duurt ongeveer een half uur:

Hij wel

“I don’t dream at night, I dream all day; I dream for a living.” – Steven Spielberg

Golf

Eens, vijf jaar geleden, toen hij nog zeer krachtig was en wij dikwijls tezamen de sport beoefenden, heb ik een droom gehad, die in deze dagen om zijn wonderlijke betekenis steeds weer in mijn gedachten komt. Ik droomde, dat ik in het midden van een klein, eenvoudig vertrek op een stoel zat; links van mij was het enige raam, en daarnaast in een hoek stond een tafel, bijna in het donker, want het was tegen het vallen van de avond. Ik zat voor mij uit te zien, niet eens meer in gedachten. Plotseling hoorde ik vlakbij, links van mij aan mijn voeten, een helder watergeluid. Ik keek, en zag hoe uit de donkere plankenvloer van dat vertrek, klaar en wonderlijk, een golf, een watergolf, was verrezen, die op iets meer dan de hoogte van mijn knie, in de omgebogen stand, onmiddellijk aan het breken voorafgaande, staan bleef.
Ik verroerde mij niet en keek ernaar met een vreemd gevoel van diep helder verdriet en een vaag, maar veel groter vermoeden van een eindelijke vervulling. En, plotseling, kijkend naar die golf, die in dat kleine donkere vertrek, glinsterend op de vloer stond en zacht en helder bruiste, wist ik (en zo klonk het woord voor woord in mij): ‘Herman is dood, en dit is Herman’.
Die droom was waar. Zo was hij, zo was het midden van zijn wezen: helder, alleen, ineens, en van niet te evenaren oorspronkelijkheid.
Zo ook, helder, ineens, oorspronkelijk zonder weerga, kwam zijn ‘Mei’ in onze taal. Ik heb er deze laatste dagen weer veel in gelezen, en het klonk mij als een golf, die, vlak naast mij, bruiste, voortdurend zacht en helder bruiste, en maar niet breken wou.

A. Roland Holst, In memoriam Herman Gorter; in: In den verleden tijd (Amsterdam, Boelen, 1975)

Blondie

When I met you in the restaurant
You could tell I was no debutante
You asked me what’s my pleasure
A movie or a measure?
I’ll have a cup of tea and tell you of my dreaming
Dreaming is free
I don’t want to live on charity
Pleasure’s real or is it fantasy?
Reel to reel is living rarity
People stop and stare at me
We just walk on by – we just keep on dreaming
Feet feet, walking a two mile
Meet meet, meet me at the turnstile
I never met him, I’ll never forget him

Dream dream, even for a little while
Dream dream, filling up an idle hour
Fade away, radiate

I sit by and watch the river flow
I sit by and watch the traffic go
Imagine something of your very own
Something you can have and hold

I’d build a road in gold just to have some dreaming
Dreaming is free
Dreaming
Dreaming is free
Dreaming
Dreaming is free

Zijn dromen bedrog?

»Uit het Psychologisch Droomboek blijkt zonneklaar, dat een droom heel wat meer betekent dan in het algemeen wordt aangenomen. Hij voert u namelijk tot de kennis van de wereld, die “ongekend” in u leeft en die door de droomsymboliek aan de dag treedt. Jack F. Chandu, bekend door zijn astrologische en grafologische arbeid, geeft in zijn boek een overzicht van de betekenis van deze droomsymboliek, zoals die zich in velerlei vormen en uitleggingen openbaart!«

Aldus de flaptekst van Chandu’s droomboek (Den Haag, Stock / Forumboekerij, zj -1968?-). Chandu is niet over één nacht ijs gegaan voor zijn  214 pagina’s uitleg. Er is een uitvoerig register, “weg – (nauw, breed, recht, steil, kronkelig)”. Er is een uitvoerig literatuuroverzicht dat zo’n kleine tweehonder titels omvat – en jawel, ook Jazower wordt daarin genoemd.
Hierna volgen enkele passages. Moeras is opgenomen ter vergelijk met Magda, wier werk eerder is genoemd. Ook de mist komt voor bij Chandu (als uitingsvorm van “water”), en hij hecht er een heel wat meer voor de hand liggende betekenis aan dan Magda.

Landschap
Een droomlandschap kan bekend zijn. In dat geval moeten we nagaan aan welke levensepisode dat landschap herinnert. Dit kan een aanknopingspunt geven. Vaak is het een landschap uit onze jeugd en kan als zodanig een aanwijzing geven, dat we terug moeten naar onze jeugdtijd en gebruik moeten maken van de ervaringen, die we toen hebben opgedaan. Datgene wat onbekend is of niet behoort in een voor ons verder bekend landschap, kan zeer belangrijk zijn. Bekende landschappen kunnen in de droom ook wijzen op omstandigheden die bekend zijn, d.w.z. die men al eerder ervaren heeft. Onbekende landschappen leggen de nadruk op nieuwe omstandigheden. We komen in een situatie, die we niet kennen en waarin het ons dus aan ervaring ontbreekt. De aard van het landschap kan verdere inlichtingen geven.

Meer
Een meer is een symbool van het onderbewustzijn, zoals ook de zee. Het spiegelende wateroppervlak, de waterspiegel, evenals alle spiegelende oppervlakten symboliseren de dromer zoals hij zichzelf ziet, niet zoals hij dus werkelijk is.

Moeras
Een zeer gevaarlijke en kwalijk riekende plaats om in terecht te komen. Het ruikt er naar het rottende, het bedorvene. Wee degene, die er in terecht komt. Hij zakt langzaam dieper en dieper in het moeras en heeft vaak anderen nodig om hem er weer uit te halen. Hetzelfde geldt voor drijfzand. Zelfs al komt men heelhuids uit een dergelijk moeras, dan zal men toch nog alle sporen van het vuil en de modder van zich af moeten spoelen. Het gaat hier om morele smetten, waarvan men zich vrij moet maken.

Stad
Een stad in een droom stelt een bepaald doel (einddoel of mijlpaal op de weg naar het einddoel) voor. De wereldstad duidt op het wereldse, moderne en het vrij zijn van het bekrompene en ook wel eens op de mensenzee, waar men zich als enkeling in ten onder voelt gaan. Het dorp daarentegen stelt meer de kleine, vaak bekrompen, gemeente voor. Al naar gelang de omstandigheden waarin de dromer leeft zal moeten worden bepaald of hier een objectieve uitlegging mogelijk zou zijn.

Water
Het water is een symbool voor het onbewuste, soms ook voor het collectief onderbewuste. Water is een oeroud moedersymbool en heeft verder te maken met begrippen als geboorte, reiniging en intuïtieve kennis. De onderdompeling in het water, evenals de doop met water zijn een zinnebeeld voor het begrip sterven en opnieuw geboren worden. Water kan op verschillende wijze in de droom naar voren komen. Als stromend water duidt het op krachten in ons die reinigend en als zodanig vernieuwend werken. In de vorm van een bron (wel) krijgt het de betekenis dat er fris water (frisse intuïtieve kennis, bijv. waardevolle ingevingen) in ons opwellen. Het komt in ons bovenbewustzijn en dus kunnen we er profijt van hebben. De fontein heeft een soortgelijke betekenis. Tevens is het een symbool voor maagdelijkheid en jeugdige reinheid. Heel vaak is het een symbool voor de jeugd zelf, voor verjonging. Ook hier dus weer het begrip van het opnieuw geboren worden. Stromend water geeft steeds een doorstromen van de geest met nieuwe gedachten aan. Het zijn vruchtbare gedachten, even vruchtbaar als het water dat de landerijen bevloeit. Water is daarom ook een oud vruchtbaarheidssymbool en heeft als zodanig te maken met het begrip geboorte, dus ook een moeder-symbool. Stilstaand water waarschuwt dat er geen doorstroming plaatsvindt. De nieuwe denkbeelden blijven achterwege. Dergelijk water raakt snel verontreinigd en kan geen dienst meer doen voor reiniging. Brak water duidt op het ontbreken van frisse denkbeelden. Hoe nuttig water ook voor ons is, het kan ook een gevaar inhouden. Bij een overstroming bestaat een acuut gevaar van verdrinking. Er is dan ook in het leven iets, waarin we dreigen ten onder te gaan. Vooral wanneer we niet kunnen zwemmen is dat gevaar groot. Men moet geleerd hebben te zwemmen, d.w.z. in het leven zich drijvend te houden. Krijgen we water in kleine hoeveelheden naar binnen, dan kan dat zijn in de vorm van drinken. We willen onze dorst naar kennis lessen. In grote hoeveelheden verdrinken we erin. Golven zijn niet erg, zolang we bijv. aan het strand naar het spel van de golven kijken. Ze duiden het op en af van het leven aan. Torenhoge golven zijn meestal een symbool van moeilijkheden, waarin we dreigen te verdrinken. De vloed die opkomt is een teken, dat vele nieuwe vruchtbare gedachten opkomen. Bij eb hebben we te maken met een vermindering van vruchtbare gedachten. We komen geestelijk droog te liggen. Regen volgt de symboliek van het stromende water. Ook dit is een oud vrucht-baarheidssymbool. De regenwolken bedekken en verduisteren het licht van de zon, dat ons verlichten moet. Zij belemmeren het verkrijgen van inzicht. Dauw is vaak een voorteken van het nieuwe, dat geboren gaat worden. Mist heeft daarentegen als betekenis, dat iets niet slaagt. Men gaat de mist in, d.w.z. dat men de juiste weg kwijtraakt. Men weet niet meer waar men moet gaan of staan. Sneeuw, een andere toestand van water, heeft in reine, ongerepte toestand ook de betekenis van het reine, maagdelijke (zie verder voor dit symbool bij winter). Vuil-geworden sneeuw wijst op een bezoedelde reinheid en niet-maag-delijkheid. Het volgt het symbool van de modder (zie aldaar). IJs is water in verstarde toestand. Even verstard, koud en onbezield kunnen ook de uit ons onderbewustzijn naar boven komende denkbeelden zijn. Er zit geen leven, geen warmte in. IJs duidt vaak op een weerstand tegen de hartstochten Een ijs-klomp noemt men iemand die seksueel moeilijk prikkelbaar blijkt te zijn. Ook is het een symbool voor de dood; men is bevroren. Wat meer gevoelswarmte kan het ijs weer ontdooien en kunnen de vastgevroren vruchtbare gedachten weer ontdooien. Het ijs is een scheidingslijn tussen leven en dood en … opnieuw herboren worden. Vuur kan het ijs ontdooien, doch water kan het vuur blussen. Het blussen van een brand met water kan wijzen op de mogelijkheid om het vuur van de hartstocht te blussen, m.a.w. op een sociaal meer aanvaardbaar peil te brengen.