Bedding

De droom

Ik heb het volgende gedroomd:
ik lig terneer in rust en vrede
op zachte bedding, diep beneden,
wijl een rivier over mij stroomt.

Ben niet verdronken, ben niet dood,
ben jong en mooi van lijf en leden,
maar ongewoon stil en tevreden
gelegen in een lieve schoot.

De stroom is helderder dan glas,
ik zie het riet en oevergras
dat de rivier omzoomt.

Ik zie de lucht en elke vis,
en elke traan is weggewist.
Dat heb ik gisternacht gedroomd.

Herman Pieter de Boer (1928-2014)

Warm en vochtig

Natte droom van een man om gezellig met de andere sexe over te kunnen kletsen: ook vrouwen blijken natte dromen te hebben. Je kunt ook afvallen van dromen.

Allemaal te lezen in de Huffington Post.

Giftige damp

»Het gedoe met Kitsey had Boris’ bezoek tijdelijk uit mijn gedachten verdrongen, maar toen ik eenmaal sliep, kwam alles via een omweg in mijn dromen terug. Twee keer schoot ik rechtovereind, eerst door een nachtmerrie waarin een deur naar de opslagloods openzwaaide en ondertussen buiten gehoofddoekte vrouwen om een berg kleren vochten, en daarna, terwijl ik weer in slaap sukkelde, doordat in dezelfde droomsetting de opslagloods voorkwam als een ruimte die van boven open was en waarvan de muren bestonden uit opbollende stof die net niet tot het gras reikte. Daarachter keek je uit over groene velden met meisjes in lange witte jurken, een beeld dat (wonderlijkerwijs) zo van dood en gruwelijke rituelen was doortrokken dat ik happend naar adem wakker werd.
Ik keek op mijn mobieltje: vier uur in de ochtend. Een halfuur van ellende later kwam ik overeind, stak met ontbloot bovenlijf een sigaret op (ik voelde me een schurk in een Franse film) en ging zitten kijken naar Lexington Avenue, op dat uur bijna zonder verkeer: alleen taxi’s die begonnen te rijden of er, wie weet, net mee ophielden. Maar de droom, voor mijn gevoel een voorspellende – die ongrijpbare dreiging, het besef dat ik kwetsbaar was – wilde niet verdwijnen, bleef als een giftige damp hangen, en mijn hart hield niet op met bonzen.«

uit:

tartt-droom

Dromer

IMG_6334 (Small)
Buste van de kunstenaar Heinrich Vogeler, in Worspwede (D), met het opschrift “Der Träumer ging verloren – Seine Träume bleiben”

Roman

»Het begon met een droom, vertelt Campert […] een droom over Afrika, een continent waar Campert nooit is geweest – tot dat moment zelfs niet in zijn dromen.
Zo staat hij in de roman: “Ik sta op een heuvel en kijk uit over een landschap waarin de kleur roodbruin domineert. Aan mijn voeten op de door de zon geblakerde grond, ligt een stervende hond. Ik sleep hem bij zijn achterpoten de schaduw in van een hut met lemen muren en een dak van golfplaat. In de hut zijn drie personen aanwezig […] De vrouw, die op een klapstoeltje zit, heeft hoogopgestoken blond haar. Ze is stevig gebouwd. Ze is gekleed in een kakikleurig mantelpak, waarvan de rok tot halverwege haar dijen is opgeschort. Met dit beeld word ik wakker.”
Campert noteerde zijn droom. Hij legt uit: “Dromen zijn niet onbelangrijk voor mij. Je reageert erin op je angsten en vreugdes, al zijn het eerder je angsten. Misschien is het een erfenis van het surrealisme dat ik daar mee bezig ben; het zit toch allemaal in je kop. Deze droom kon ik helemaal niet thuisbrengen, ik had geen enkel aanknopingspunt. Dus bedacht ik een man voor wie die droom net zo wezensvreemd is als voor mij.”

Dat werd de hoofdpersoon van Hôtel du Nord?
“Net als bij het schrijven van poëzie ga ik bij het maken van een roman helemaal intuïtief te werk. Ik had nog geen idee dat die droom zou uitgroeien tot een roman. Nadat ik had opgeschreven wie die droom had gedroomd, dacht ik ‘Laat ik maar doorgaan, hoe hij opstaat en zo’.”«

fragment uit een interview met Remco Campert door Kester Freriks, ter gelegenheid van het verschijnen van “Hôtel du Nord”, in NRC Handelsblad/Boeken (p. C2), van 20 september 2013.

rc-rev

Ik heb een vis voor dag en nacht

Ik heb een vis voor dag en nacht,
des morgens, als de angst mij wacht,
zwemt hij kalmerend langs mijn voeten,
als ik des nachts de droom opwacht
dan komt mijn vis mij groeten.

Des middags slapen alle vissen.
Zou men zich hiervan willen vergewissen
en naar de tenen van de rots afklimmen,
men kan mijn vis daar aan de wand zien staan
in een der heldergroene nissen,
men ziet hem in het omgekeerde firmament,
een hoge vlieger, staan te vinnen,
slapend te stromen als een smalle vaan.

Ik heb een vis voor dag en nacht,
zou ik soms vroeg uit denken moeten
dan wekt hij mij al om half acht
Des nachts komt hijsteeds even groeten.

J.B. Charles (1910-1983) uit: Gedichten (1956)