Niks te verbergen

Deze week tien jaar geleden publiceerde de Amerikaanse hoogleraar privacyrecht Daniel Solove, van George Washington University Law School zijn essay ‘Ik heb niks te verbergen en Andere Misverstanden over Privacy’. Het werd sindsdien een half miljoen keer geraadpleegd. ‘Ik heb niks te verbergen’ kwalificeerde Solove als een ‘frame’ waarin privacy ten onrechte wordt vereenzelvigd met de behoefte aan geheimzinnigheid van bedenkelijke types die ruimte voor illegale of immorele zaken willen houden. Hij ziet privacy als een paraplubegrip dat de gehele verhouding tussen burger en staat omvat. En dat niet zozeer de metafoor van George Orwells surveillance-staat belangrijk is, maar dat we vooral op de bureaucratische staat uit Kafka’s roman Het Proces moeten gaan letten. De alwetende staat die beslissingen neemt over burgers op basis van informatie waar de burger geen grip op heeft. Niet meer over hoe en waar het verzameld wordt, hoe lang het wordt bewaard, waarvoor het wordt benut en welke conclusies er uit worden getrokken.

citaat uit de column van Folkert Jensma in NRC Handelsblad,  4 maart 2017.

Het hele artikel hier. 

 

Een vrouw die sprak en liep

Ik droomde en zag een vrouw die sprak en liep
En als een wakende haar arbeid deed;
Doch als men in den droom de dingen weet,
Zoo wist ik vast en zeker, dat ze sliep.

En ’k vroeg mij, of ik uit een slaap zoo diep
En vreemd de vrouw moest wekken met een kreet?
Of wachten tot een prins ze ontwaken deed,
Die met een kus de slaapster wakker riep?

’k Ontwaakte en schreide als om verzuimden plicht,
In angst, dat zij haar dag verslapen zou
En eerst ontwaken als het gouden licht
Verbleekte tot het kille avondgrauw….
Doch wat was mij het lot dier jonge vrouw?
En wat bedroefde ’k me om een droomgezicht?

Jacqueline van der Waals (1868-1922)

 

Windstil

Windstil

Ik droomde bijna dat ik sliep
en door een wijde polderweide liep
en in de stille lentehitte
zag ik de doodstil staande witte
schermbloemen langs de sloot,
want er was geen wind
en boven de dijk de witte
slappe zeilen van een boot,
ze gleden zoals de IJssel stroomde
want er was geen wind
waar ik van droomde
en over het dijkpad reden
fietsers want ik hoorde het grind
van tachtig jaar geleden
en verder niets

Leo Vroman (1915-2014)
uit: Daar (2011)

 

Vaas

Vaas

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.

Peter Verhelst (1962)
uit: Koor (2017)

 

Wandelen in dromen

[…] En als ik mijn vrienden er al eens een keer toe kreeg met mij mee te gaan naar het museum, deden ze niet veel anders dan buiten het blikveld van de suppoost kattekwaad uithalen of mij belachelijk maken omdat ik in diepe aandacht verzonken stond voor een Asmatschild alsof ik het vroegrijpe figuurtje van Annie Wildernis stond te bewonderen. Sinds mijn jongensjaren, waarin ik me een eenling voelde en was, is er veel veranderd. De musea worden bijkans overlopen, vooral door de jeugd. De honger naar schoonheid, het besef dat men niet alleen bij het koersverloop van de AEX-index kan leven, neemt gestadig toe. De aandacht die op middelbare scholen aan kunst in al zijn vormen wordt besteed, breidt zich als een inktvlek uit. We willen geen vee worden dat sjokkend achter winkelwagentjes in de supermarkt de laatste koopjes najaagt. Nee, we willen volwaardige mensen worden die weten dat het aanschouwen van al die wonderlijke kunstvormen in de musea broodnodig is; dat het wandelen in dromen de vaak povere werkelijkheid zinvol maakt. […]

Jan Wolkers in de inleiding bij de Teylers-agenda voor 2000.

 

Waltzertraum

Ein Waltzertraum

An der Grenzstation
angelangt ist jetzt
endlich der Reisende

Ein Zöllner hat ihm
die Schubänder gelöst
die Schuhe ausgezogen

Auf den gehobelten Brettern
des Bodens herrenlos
steht das Gepäck

Das schweinslederne Köfferchen
ist aufgegangen, die arme
Seele entflogen

Den Körper, das letzte
Umsiedlungsgut erwartet
eine peinliche Untersuchung

Gleich kommt der Dr Tulp
mit dem schwarzen Hut und
dem Prosekturbesteck in der Hand

Oder ist der Leib bereits
ausgehölt und gewichtlos und
schwebt, nur von den Finger-

spitzen ein wenig gesteuert
hinüber in das land das
man nur barfuß betreten darf?

_*+*_

Droom in driekwartsmaat

Bij de grenspost
aangekomen is nu
eindelijk de reiziger

Een douanier heeft
zijn veters losgemaakt,
schoenen uitgetrokken

Onder het van de vloer
verheven plankier staat
eenzaam de bagage

Een varkensleren koffertje
is bovengekomen,
de ziel eruit ontsnapt

Het lichaam, dat laatste
doorgangshuis, wacht
een pijnlijk onderzoek

Aanstonds komt de geleerde Tulp
met zwarte hoge hoed, een
ontleedmes in zijn hand.

Of, is het lijf al uitgehold
en gewichtloos, en zweeft
slechts door de vinger-

toppen lichtjes gestuurd
daar naar het land dat men
slechts blootsvoets begaan mag?

uit: W.G. Sebald – Über das Land und das Wasser,
ausgewählte Gedichte 1964 – 2001 (Frankfurt am Main,
Fischer Taschenbuchverlag, 2002)

foto uit het boek, naast het gedicht;

 

Droom ontkomen

Schemering

In ‘t slepend grijs fluweel, in ‘t grijs vertrek,
De voetjes diep in ‘t blank der berevacht,
Leunt ze in den hooggerugden stoel en tracht
Een droom te ontkomen, die haar liefde wekk’.

Bleekrose en gele rozen geuren zacht,
Op ‘t blanke haardkleed, aan haar voetenpaar.
Wie bracht die hulde en lei die bloemen daar?
Door al de glazen vloeit de grijze nacht.

Het boek ligt open, waar ze in droomde en las.
Haar luchtgrijze oogen staren in ‘t verschiet.
En ‘t kwijnend vuur verblijdt de kamer niet;
De vlam smeult weg in grijs fluweel van asch.

Nu bukt ze en beurt de bloemen, éen voor éen,
En werpt ze in ‘t vuur, met tragisch kalm gebaar.
Grijs vlokt het licht op ‘t zilverblonde haar…
Dan wordt het donker – en ze is heel alleen.
Hélène Swarth (1859-1941)

 

Bewaard moment

foto, van onbekende herkomst, opgedragen aan Frans Budé

bewaard_moment

«als alles op een dag zichzelf droomt, het warme
groen plots van plaats verspringt, zachtjes landt,»