De pijp van de schoenlapper

In Scribner’s Magazine van november 1899 staat een mooi artikel over “Het Parijs van Balzac”, een verhandeling over de plekken waar Balzac heeft gewoond, tevens een beknopte levensschets.
Navolgend het slot van het artikel.
«”Op de 18e augustus 1850″, schrijft Hugo in zijn “Choses Vues”, zei mijn vrouw, die overdag bij mevrouw Balzac was geweest, dat hij stervende was. Mijn oom, generaal Louis Hugo, dineerde bij ons, maar zo gauw de maaltijd voorbij was, verliet ik hem en nam een rijtuig naar de  Rue Fortunée, in de wijk Beaujon, waar Balzac woonde. Hij had daar een paar gebouwen gekocht die er van de afbraak van de huizen van de heer Beaujon nog restten, en daar had hij een charmant klein huis van gemaakt, elegant gemeubileerd, met een porte-cochère aan de straat, en in plaats van een tuin een lange smalle bestraate hof met hier en daar verspreid wat bloembedden.
Hugo reed naar nummer 14 aan de Fortunéelaan. Die voorstedelijke laan is tegenwoordig (dus: in 1899) verbreed tot de Rue Balzac, en waar deze de Rue du Faubourg-St Honoré kruist, is een stuk tuinmuur waarin een tegel eraan herinnert dat op deze plek de plaats was van zijn laatste huis. Het huis zelf is verdwenen, maar men kan boven de muur het bovenste deel van een stenen paviljoen met Griekse zuilen zien uitsteken, dat naar verluidt door hem is gebouwd.
“Ik belde aan”, vervolgt Hugo, “de maan versluierd door wolken, de straat verlaten. Er kwam niemand. Ik belde opnieuw. Een huilende vrouw deed het hek open. Ik stelde mijzelf voor en werd in de salon op de begane grond gelaten. Op een piëdestal tegenover de open haard was een enorme buste gemaakt door David. Op een mooie ovalen tafel in het midden van de kamer brandde een waskaars. […] We liepen door een gang en beklommen de trap met een rode loper, waarlangs talloze kunstwerken stonden en hingen, beelden, schilderijen, vazen. […] Ik hoorde iemand luid en moeilijk ademen. Ik was in Balzac’s slaapkamer.”
“Het bed stond middenin de kamer. Balzac lag er in, ondersteund door een massa kussens. Zijn gezicht was paars, bijna zwart, en leunde naar rechts. Het haar was grijs en tamelijk kort geknipt. Zijn ogen waren open en staarden voor zich uit. Ik zag hem en profil, en zo leek hij veel op Napoleon […] Ik tilde het dek op en pakte zijn hand, die klam was van het zweet; hij reageerde niet op de druk. […]”
De buste die Hugo zag was gemaakt door David d’Angers, een verkleinde kopie ervan staat nu op het graf van Balzac. Zijn portret, in aquarel, werd binnen een uur nadat hij was overleden gemaakt door Eugène Giraud. Het is een ontroerend portret van de man, zijn weduwe vond het meer gelijkend dan enig gedurende zijn leven. Terwijl het lange lijden was verlicht, had het ook zijn gezicht verfijnd, en er was jeugd in te zien, kracht, majesteit. Het is het hoofd van een Titaan, die een niet te benijden alst droeg gedurende een leven van moedig en hard werken.


Balzac’s dood raakte kennelijk bijzonder snel bekend bij zijn schuldeisers, ze waren al snel aan de deur, een invasie in het huis – een roofzuchtige, plunderende horde die van kamer naar kamer trok, op zoek naar waardevolle spullen. Ze joegen de weduwe weg, zij vond tijdelijk onderdak bij Mme de Surville in de Rue des Martyrs, nr 47. Dit huis en nummer zijn tot heden (1899) ongewijzigd.
Kasten en laden werden opengetrokken, en overal werden papieren, schetsen voor nieuwe artikelen verspreid, en veel wat kon worden gered werd verzameld door zijn vrienden die zich ook naar de plek des onheils hadden gespoed. Zelfs in winkels in de buurt vonden ze later nog manuscripten, klaar om de boter en levensmiddelen in te verpakken. Eén karakteristieke en waardevolle brief werd in drie delen, in drie verschillende locaties opgespoord door een fan, het eerste deel nog net voor er de pijp van een schoenlapper mee werd aangestoken.
“Hij overleed ‘s nachts”, vervolgt Hugo, “Eerst werd hij naar de Chapel de Beaujon gebracht […] De begrafenisdienst werd gehouden in de Saint-Philippe-du-Roule. Toen ik bij de kist stond  herinnerde ik mij dat mijn tweede dochter daar werd gedoopt. Sindsdien was ik niet meer in die kerk geweest.”
“De rouwstoet ging dwars door Parijs, via de grote boulevards, naar de begraafplaats Père Lachaise. Toen we de kerk verlieten en toen we de begraafplaast betraden, regende het. Het was één van die dagen warop de hemel schijnt te huilen. We liepen de hele afstand. Ik liep aan het hoofd van de kist, één van de zilveren kwasten van het lijkkleed vasthoudend. Alexandre Dumas liep aan de andere kant. […] Bij het graf aangekomen, bovenaan de helling van een heuvel, was er een grote menigte samengestroomd. Terwijl de kist in het graf, dichtbij dat van Charels Nodier en van Casimir Delavigne, werd neergelaten, zeiden de priester en ik enkele woorden. Terwijl ik sprak ging de zon onder. Heel Parijs lag voor mij, ginds, in de stralende flarden van de zakkende schijf, de schijn waarvan de laatste resten in het graf aan mijn voeten schenen te vallen, terwijl de doffe geluiden van de zoden die op de kist vielen zich met mijn wooden mengden.”
Ja, uitgestrekt voor zijn graf ligt heel Parijs, zoals zijn Rastignac het zag, terwijl hij zich van de fosse-commune omdraaide nadat hij daar net het lichaam van  Père Goriot had ingegooid, en met zijn geheven vuist tartte hij de grootse, mooie, wrede stad: “A nous deux maintenant!”»


(bewerkt detail van een foto van Jim Linwood op Flickr )

Comments are closed.