De twaalfde

XII
We logeren in een hotel aan een zeeboulevard. De eerste morgen na onze aankomst probeer ik de badkamer te vinden. Ik loop er eindeloos naar te zoeken en nadat ik alle gangen van het hotel heb verkend beland ik buiten op een terras, dat vol staat met in een halve cirkel geplaatste rijen banken, als in een amfitheater. Nagenoeg alle banken zijn bezet door hotelgasten. Tussen hen zie ik B en ik ga naast hem zitten.
Er hangt een sfeer van verwachting onder de gasten, die gespannen naar de lucht kijken. Wanneer ik hun blikken volg zie ik een groot mozaïek hangen, in de kleuren groen, blauw en paars. Het lijkt op een perzisch tapijt, maar het is dunner en wappert als vlaggedoek. Het werpt een lichte schaduw over het terras.
De lucht wordt nu donker. Het mozaïek begint te dalen en komt vlak voor her terras op een grasveld neer. Ik vind het een onheilspellend teken, maar niemand schijnt zich er zorgen over te maken.
Doordat er veel mensen voor me zitten (lie het zicht op het mozaïek belemmeren, kan ik niet volgen wat er precies gebeurt, maar vrij spoedig verheft het zich weer van de grond en wint snel hoogte. Het is intussen veranderd in een smalle, kleurloze chinese mat die naar boven toe uitrolt, even in zijn volle lengte blijft hangen en dan door de opstekende wind wordt meegenomen, terwijl de lucht langzaam opklaart.

2 oktober 1988

Marga Minco, in: De zon is maar een zeepbel – twaalf droomverslagen; Amsterdam, Bert Bakker, 1990

 

Comments are closed.