Vis bestijgt een droom

»In ‘Slapenderwijs, wakenderwijs’ (1969) schrijft Henri Michaux: “Net als vele andere nachtdromers, protesteer ik niet in mijn droom, maar stel ik mij onmiddellijk op de toestand in, hoe onmogelijk die ook is, zonder hem te verwerpen, zonder er van weg te vluchten. Hoogstens hoop ik uit de toestand weg te komen, maar niet uit de wereld waartoe hij behoort, net zoals een toeschouwer doet bij een dramatische film, die bij het gebeuren van een penibele scène niet de wens heeft het filmdoek te verscheuren, maar alleen om over te gaan naar een meer aanvaardbare toestand waarop de dan bestaande toestand volgens hem zou kunnen uitlopen.”
Deze woorden van Michaux zouden een goede inleiding tot de gedichtenbundel Vlammend Marmer van Frans Budé kunnen zijn. Niet alleen dat in de gedichten van Budé het woord droom en varianten erop herhaaldelijk worden gebruikt, de gedichten zelf scheppen hun konstellatie in een soort gedroomde wereld.«

Huub Beurskens in een bespreking van genoemde bundel, het debuut van de dichter, in De Groene van 23 januari 1985

Uit het boek:

Open zee. Dichte vlokken
schuim, breedgeschouderd
water, doorwaadbaar, ver
tot in de duisternis

Vis bestijgt een droom
Vallend water, gerangschikt
tot een stroom. Hij duikt
de afgrond in. Schim

van wind, ademloze vin
Dit snij ik aan:
Herinner jij je water,

blinde vis, wat staat er
als ik je kielhaal
in mijn droom?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Budé in 1985)

 

Comments are closed.