Droom ontkomen

Schemering

In ‘t slepend grijs fluweel, in ‘t grijs vertrek,
De voetjes diep in ‘t blank der berevacht,
Leunt ze in den hooggerugden stoel en tracht
Een droom te ontkomen, die haar liefde wekk’.

Bleekrose en gele rozen geuren zacht,
Op ‘t blanke haardkleed, aan haar voetenpaar.
Wie bracht die hulde en lei die bloemen daar?
Door al de glazen vloeit de grijze nacht.

Het boek ligt open, waar ze in droomde en las.
Haar luchtgrijze oogen staren in ‘t verschiet.
En ‘t kwijnend vuur verblijdt de kamer niet;
De vlam smeult weg in grijs fluweel van asch.

Nu bukt ze en beurt de bloemen, éen voor éen,
En werpt ze in ‘t vuur, met tragisch kalm gebaar.
Grijs vlokt het licht op ‘t zilverblonde haar…
Dan wordt het donker – en ze is heel alleen.
Hélène Swarth (1859-1941)