Friedrich Hebbel

In 1836 werd Friedrich Hebbel 23 jaar. In de herfst van dat jaar, juister, op 19 oktober, droomde hij het volgende.

»Vannacht droomde ik dat ik Napoleon zag: ik vroeg hem naar zijn oordeel over het tweede deel van Heine’s Reisebilder.«

En het volgend voorjaar:

»München, 29 mei 1837. Onlangs zag ik in een droom een verliefde jongeman bij haar ouders door middel van vioolspel naar de hand van zijn geliefde dingen, en verwonderde mij erover dat hij op twee violen tegelijk speelde.«

200px-Friedrich_Hebbel

Hebbel heeft zelf ook aan de droom gedichten gewijd. Het volgende bijvoorbeeld, over de geboorte-nacht. De vertaling is wat aan de magere kant voor zo’n gewichtig onderwerp, maar rijmdwang geeft niet altijd alle ruimte aan de poëtische gloed die de oorspronkelijke regels verlichten.

Geburtsnacht-Traum

Ich durfte über Nacht im Traum
Ein seltsam Fest begehen,
Ich habe meine Väter all
Um mich vereint gesehen.

Mein Vater führte stumm den Zug,
Er lächelte hinüber,
Dann aber wandte er sich ab,
Ihm ward das Auge trüber.

Es war der letzte, welcher starb,
Noch hatt’ er all die Milde;
Der Himmel hatte nichts verschönt
An seinem teuren Bilde.

Großvater nahte nun heran,
Der mich zu wiegen pflegte,
Eh’, wie er mich, ihn selbst der Tod
Ins stille Bette legte.

Ich habe ihn sogleich erkannt,
Als hätte, wie die Nische
Den Heiligen, mein Herz sein Bild
Bewahrt in voller Frische.

Sein Auge weilte, wie erstaunt,
Auf mir und schien zu fragen:
Bist du dasselbe kleine Kind,
Das einst mein Arm getragen?

Großmutter auch, sie nahte sich,
Die mildeste der Frauen;
Auf meinen Vater schien sie bald
Und bald auf mich zu schauen.

Und als sie fand, daß ich ihm glich,
Ging in den bleichen Zügen,
Als wär’s ein neues Leben, auf
Das innigste Vergnügen.

Nun trat ein ernster Mann herzu,
Den ich nicht mehr erkannte,
Doch sah ich, daß er freundlich sich
Zu meinem Vater wandte.

Und immer größer ward die Schar
Von Männern, welche kamen,
Und stets durchzuckte mir’s die Brust:
Du bist von ihrem Samen!

Auch zarte Frauen nahten viel
In Trachten, fremd und eigen;
Ein schlummerndes Jahrhundert schien
Mit jeder aufzusteigen.

Die sanften Augen waren all
So süß auf mich geheftet,
Doch war der lächelnd holde Mund
Zur Rede zu entkräftet.

Vom Turme schlug es, dumpf und bang,
Sie schieden mit Getümmel;
Die Männer deuteten aufs Grab,
Die Frauen auf den Himmel.

Das war die Stund’, die mich gebar;
Nun frag’ ich mich mit Beben:
Ob sich das Leben und der Tod
Im Grabe noch verweben?

Ob, die sich regt in meiner Brust,
Die ungestüme Flamme,
Die Toten noch im Schlummer stört,
Aus deren Blut ich stamme?

Ob sie mir blaß zur Seite gehn,
Unmächtig, zu erscheinen,
Und lächeln, wenn ich glücklich bin,
Und wenn ich’s nicht bin, weinen?

Und ob ich selbst dereinst mein Kind,
Statt ruhig auszuschlafen,
Durch Nacht und Sturm begleiten muß
Bis an den letzten Hafen?

-*-*-*-*-*-

Geboortenachtsdroom

‘s Nachts kon ik in een droom
een zeldzaam feest ondergaan
waarbij ik al mijn voorvaderen
samen om mij heen zag staan

Mijn vader zwijgend voorop
glimlachte wat voor zich uit,
wendt zich daarna langzaam af.
terwijl hij bedroefd de ogen sluit.

Hij was de laatste die overleed
nog vol van alle zachtheid;
De Hemel had aan zijn beeld
geen extra glans gewijd.

Grootvader kwam nu naderbij
die mij zo zachtjes te wiegen placht
voor hij mij, zelf al bijna dood,
naar mijn stille bedje bracht.

Ik heb hem meteen herkend,
alsof, als een heilige in zijn nis,
mijn hart zijn beeld bewaart,
zo puur en nieuw en fris.

Zijn oog bleef even hangen,
leek haast verbaasd te vragen
Ben jij datzelfde kind
dat ik ooit op mijn arm kon dragen?

Ook grootmoeder kwam dichterbij
de zachtste aller vrouwen
via mijn vader leek ze al gauw
alleen mij te willen beschouwen.

En toen ze vond dat ik wel op hem leek
doortrok heel de kleurloze kring,
als was het een heel nieuw leven,
een wondebare gelukkige trilling.

Nu kwam een ernstige man naar voren
die ik niet werkelijk herkende
maar ik zag hoe hij zich
vriendelijk tot mijn vader wendde.

En steeds groter werd de kring
van mannen die van overal toekwamen
en ineens realiseerde ik mij daarop:
“Jij bent van allen samen!”

Ook tedere vrouwen kwamen naderbij
in klederdracht, vreemd of eigen,
het leek een sluimerende eeuw
die met elkeen op kon stijgen.

De zachte milde ogen van allen
waren zo zoet op mij gericht
maar de glimlachend, toegenegen mond
gaf niet een verstandelijk bericht.

Vanaf de torens klonk het dof en bang
ze gingen met luidruchtig gezemel
de mannen wezen naar het graf
de vrouwen naar de hemel.

Dat uur dat bracht mij voort
en, zo vraag ik mij met enige beven,
of het leven en de dood zich
in het graf nog met elkaar verweven?

of, dat de onstuimige vlam
die zich in mijn borst roert,
de doden, uit welks bloed ik stam,
nog in hun sluimer beroert

of dat ze mij bleek terzijde gaan
niet bij machte te verschijnen
maar glimlachen als ik gelukkig ben
huilen als ze mij zien kwijnen?

En of ik, in plaats van rustig uit te slapen
zelf ooit op een dag mijn eigen kind
door duister en stormen begeleiden zal
tot het dan een veilige haven vindt.