Dapper

Golf

Eens, vijf jaar geleden, toen hij nog zeer krachtig was en wij dikwijls tezamen de sport beoefenden, heb ik een droom gehad, die in deze dagen om zijn wonderlijke betekenis steeds weer in mijn gedachten komt. Ik droomde, dat ik in het midden van een klein, eenvoudig vertrek op een stoel zat; links van mij was het enige raam, en daarnaast in een hoek stond een tafel, bijna in het donker, want het was tegen het vallen van de avond. Ik zat voor mij uit te zien, niet eens meer in gedachten. Plotseling hoorde ik vlakbij, links van mij aan mijn voeten, een helder watergeluid. Ik keek, en zag hoe uit de donkere plankenvloer van dat vertrek, klaar en wonderlijk, een golf, een watergolf, was verrezen, die op iets meer dan de hoogte van mijn knie, in de omgebogen stand, onmiddellijk aan het breken voorafgaande, staan bleef.
Ik verroerde mij niet en keek ernaar met een vreemd gevoel van diep helder verdriet en een vaag, maar veel groter vermoeden van een eindelijke vervulling. En, plotseling, kijkend naar die golf, die in dat kleine donkere vertrek, glinsterend op de vloer stond en zacht en helder bruiste, wist ik (en zo klonk het woord voor woord in mij): ‘Herman is dood, en dit is Herman’.
Die droom was waar. Zo was hij, zo was het midden van zijn wezen: helder, alleen, ineens, en van niet te evenaren oorspronkelijkheid.
Zo ook, helder, ineens, oorspronkelijk zonder weerga, kwam zijn ‘Mei’ in onze taal. Ik heb er deze laatste dagen weer veel in gelezen, en het klonk mij als een golf, die, vlak naast mij, bruiste, voortdurend zacht en helder bruiste, en maar niet breken wou.

A. Roland Holst, In memoriam Herman Gorter; in: In den verleden tijd (Amsterdam, Boelen, 1975)