Avondlog

Wim Noordhoek signaleert een vers droomgedicht, van Nachoem Wijnberg.

In de links onder het bericht een mooie verwijzing naar Frederik van Eeden’s Droomboek, dat integraal online staat.

Bezweren

»Rond mijn vijftiende word ik bezocht door dromen waarin ballonachtige letters en cijfers zich tot immense proporties opblazen en mij proberen te verpletteren of te verstikken. Dan word ik wakker. Ik noteer reeksen cijfers en maak rituele berekeningen die wetmatigheden en ‘iets verborgens’ aan het licht moeten brengen. Uren breng ik zoek met het optellen en vermenigvuldigen van cijfer-combinaties, geboortedata en getalswaarden die ik aan letters geef. Ik ben soms bang om gek te worden als ik die tellingen niet uitvoer. Misschien zijn het de cijfers en letters zelf die me teisteren. Ik moet iets bezweren, een of andere paniek, maar niemand zal iets aan mij merken. Hier helpen dokters niet. Slaapdronken hoor ik in het donker van een winterochtend een zacht koor van engelachtige stemmen uit de wasbak opklinken.«
uit: Wanda Reisel – Plattegrond van een jeugd (Amsterdam, Contact, 2010)

De inktvlek

Samenhang tussen een droom en een handeling.


Athur Schopenhauer:
»Uiteindelijk worden ook andere, niet heel belangrijke gebeurtenissen door mensen vooruit gedroomd,  waarvan ik mijzelf ondubbelzinnig heb kunnen overtuigen. Ik wil het hier meedelen, omdat het de strenge noodzaak van alle gebeurtenissen, zelfs de allertoevalligste, in een helder licht plaatst.


Op een morgen schreef ik met grote ijver een lange, en voor mij belangrijke Engelstalige zakelijke brief. Zodra ik met de derde pagina klaar was, greep ik, in plaats van het potje met zand, de inktpot en goot dat over de brief uit: het drupte van de schrijftafel op de vloer. De op mijn gebel toegesnelde dienstbode haalde gauw een emmer water om zo de vlek te kunnen wegboenen, opdat de inkt niet in het hout zou dringen. Terwijl ze hiermee bezig was zei ze: “vannacht heb ik gedroomd dat ik hier deze inktvlek aan het wegboenen was”. Waarop ik: “nee toch!” Zij weer: “het is echt waar, en ik heb het zelfs aan de meid,  met wie ik de kamer deel, na het ontwaken verteld.” Toevallig kwam op dat moment die zeventienjarige meid de kamer binnen om de dienstbode te halen. Ik liep direct op haar toe en vroeg “wat heeft zij daar afgelopen nacht gedroomd?”. Antwoord “dat weet ik niet”.  Ik, opnieuw, “Jawel, dat heeft zij je bij het wakker worden toch verteld”. De jonge meid: “Ach ja, ze heeft gedroomd dat ze hier deze intvlek op de vloer aan het boenen was”.

Dit verhaal, voor de waarheid waarvan ik absoluut insta, die theorematische dromen* buiten elke twijfel plaatst, is juist daardoor bijzonder omdat het vooruit gedroomde een handeling betreft die men onwillekeurig noemen kan omdat die zich volstrekt tegen  mijn wil voltrok, en afhankelijk was van een minieme fout van mijn hand: niettemin was deze handeling volkomen noodzakelijk en onvermijdelijk voorbestemd, omdat de werking ervan uren voordien als droom in het bewustzijn van iemand anders ontstond. Hier ziet men zo duidelijk de essentie van mijn opvatting: alles wat gebeurt, gebeurt noodzakelijk.«

*aan de vertaling van “theorematisch”  waag ik mij niet

Eternal Cold

Bananenrepubliek

Hernieuwde diepe schaamte valt over de beschaafde delen van het land bij het ondergaan van recente politieke besluiten. Er is de schaamte over het knullige bedrag en de zogenaamde excuses voor de moordpartijen die het koloniale leger aanrichtte in Indonsië, vorige week in dat land door de ambassadeur. Het enig juiste zo zijn geweest indien de koningin, als staatshoofd, ter plekke en letterlijk een knieval zou hebben gemaakt – maar dan wel veertig jaar geleden.
En dan nu een van de ergste farizeeërs die er rondlopen aanwijzen als zogenoemde onderkoning van het land – je zou je als staatshoofd generen om naast zoiets in één vergadering te zitten. Donner die de last heeft van een rotte grootvader (het witwassen van de abjecte daden van de leden van de Hoge Raad na de oorlog), die bewezen heeft zich niets gelegen te laten liggen aan medemenselijkheid (de Schipholbrand), of überhaupt aan de democratie (tenzij het voor eigen parochie van pas komt natuurlijk), die fraude van vrindjes (Deetman stak ten onrechte 75.000 in eigen zak, lezen we in De Pers) bekrachtigt, zo iemand wordt dan in een achterkamertjesdeal (het definitieve failliet van de PVV) benoemd in het hoogste rechtsorgaan van het land. Een pijler van de rechtsstaat is aan het brokkelen met zoiets aan het hoofd – die bewezen heeft het recht vooral te benutten om het te buigen ten faveure van de eigen mores of “geest”verwanten.
Voor héél lang heeft dit land als natie het morele recht verspeeld anderen de les te lezen – we zijn onze eigen bananenrepubliek geworden. Nou ja, was het maar een republiek, dan konden we een staatshoofd tenminste kiezen.

update: het blijkt niet helemaal het door De Pers gesuggereerde bedrag – maar de brenger van de oorspronkelijke boodschap, journalist Dohmen van NRC Handelsblad, staat intussen wel op de zwarte lijst van Deetman (in de link vertelt Dohmen  aan L1-radio over het potsierlijke één-tweetje van Donner en Deetman )

 

Veel bankjes

Intussen staan op ipernity zeshonderd afbeeldingen van bankjes her en der – helaas heeft ipernity een aantal ongemakkelijke veranderingen doorgevoerd waardoor de diashow voorlopig helaas niet meer werkt (althans niet rechtstreeks, en wellicht niet in alle browsers).

Lataster


Frans Budé maakte gedichten bij enkele schilderijen van Ger Lataster, te zien in galerie Post+Garcia in Maastricht. De gedichten zijn opgenomen in een boekuitgave van de galerie onder de titel Een ode aan het leven zelf.
Bij de opening op 11 december 2011 droeg Budé de gedichten voor. Luister naar De Droom bij het gelijknamige schilderij uit 2010:

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Gysbert Japiks’ Cupido

Eerder heb ik een stukje gesproken Middle English opgenomen, vooral vanwege de curieuze uitspraak. Dat stukje -een tekst van Chaucer- staat hier.

Onlangs vond ik een LP met opnamen uit 1978 van getoonzette gedichten van de Friese dichter Gysbert Japiks (1603-1666). Die gedichten worden gezongen in de oorspronkelijke taal. De plaat is een gezamenlijke uitgave van het Friesch Dagblad en de Leeuwarder Courant, met steun van het Gysbert Japiks-comité 1666-1966. Op eerste lezing van de tekstbijlage meende ik wat overeenkomst te bespeuren met de, overigens veel vroegere, Chaucer. De mare gaat immers hoezeer Engels en Fries op elkaar lijken (rein/rain, tsiis/cheese). Hoe langer geleden, zou je kunnen veronderstellen, des te dichter kruipt spreektaal naar elkaar toe, aan beide zijden van de Noordzee.

Van de toelichting door Bernard Smilde op de LP citeer ik over de gedichten het volgende.

(…) «In zijn dichterlijk werk heeft Gysbert Japiks het internationaal geluid van zijn tijd -de late Renaissance en de vroege Barok- omgezet in Friese klanken: aan de ene kant treffen wij het speelse, lichte van de Renaissance, met beelden uit de Griekse en Latijnse mythologie, an de andere kant het zware, compacte en druk versierde van de Barok, vooral in zijn psalmberijmingen.
Bij 32 gedichten heeft Gysbert Japiks zelf een melodie aangeduid, waarop ze gezongen moesten worden. Het waren dus liederen. Gysbert moet zeer muzikaal geweest zijn: hij was voorzanger van de Martinikerk in Bolsward, en sommigen denken dat hij ook kon orgelspelen. Zijn verzen hebben hier en daar een krachtig ritme en een grote klankrijkdom. Voorts wijst de keuze van zijn melodieën er op dat hij goed geïnformeerd was over de gezangen-boeken van zijn tijd: de keuze die hij er uit maakte getuigt van smaak en kunstzinnig gevoel.»

en over die melodieën:

«Het was een hele toer om die melodieën terug te vinden. Prof. dr. J. Jansen heeft met dat doel tal van oude liedboeken doorvorst, en ze ook op enkele na boven water gehaald. De resultaten van zijn werk zijn terug te vinden in zijn boek: Jacob Jansen, Gysbert Japiks’ Lieten, Drachten, 1958. (…)wij hebben voor deze plaat dankbaar van zijn arbeid gebruik gemaakt.»(…)

Het lijkt maar weinig op het Middle English, maar het geheel is te aardig om niet van een voorbeeld te voorzien. Op de plaat is overigens opgemerkt dat prof. dr. A. Feitsma uitspraak-adviezen heeft verstrekt.
Hieronder kunt u “Kipedo” afspelen, en met de tekst meelezen. De spelling heb ik van het tekstblad bij de plaat overgenomen – de Friese vertaling is eveneens daarvan afkomstig. Voor het Nederlands heb ik mij niet meer bekommerd om het oorsponkelijk rijm.
Gezongen wordt door Jelly Oosterwijk-Postma, alt; Marga Kroon, fluit, Marius van Delden, violoncello en Bernard Smilde, klavecymbel

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Kipedo reauwe-bjeuster

Lyts forlijnn’ laey swiete muwlle
Goune pole, wjeuckte Wicht
Dear hy Phoebi strielle’omtschwulle,
onder beam’-schead tjuester-ticht;
Dol laey koker, boage, schicht
(Reauw’dear hy mey wircket)
In hy kniep-eage ijnn’ sliep
Restlijck, dat ‘et snircket.

Dat begloerre’ in ljordigh eaghje,
In elbaster-libb’ne Bijld,
Dat him laey in bortlijck leachje.
Dear wier Kuwze ontboage’, ontpijld.
Da ‘er opweke’, in seag, ijn ‘t wijld,
Ney’ gruwn in ney boppen’:
Hy begoe.. Njuer in tjoe
Oon sijn Mem to roppen.

Nu is ‘t gâllje, nu is ‘t kiermen,
Nu is ‘t tiermen sonder eyn.
Ja by gammen! wijlde Wiermen
Ick bin scheyne’ duwbbled scheyn’!
Sjoch ick fier, in loayts ick heyn,
Fijt’! mijn Arck is stelne.
(Moart, ick stear!) Ick wird weer
Mietten mey eyn jelne.

_*-*-*_

Cupido dy’t syn ark kwyt is

(Cupido, soan fan Venus,
godinne fan ‘e leafde)
sjit minsken mei pylken,
dêrtroch wurde se fereale)

Koartlyn lei it leave jonkje
mei syn gouden kopke en syn wjukken
ûnder tsjusterticht beamskead
te skûlje foar de strielen fan Phoebe (de sinnegod)
Syn koker, bôge en pylk leinen del
(it ark dêr’t hy syn wurk mei docht)
en hy kniepeage yn ‘e sliep
sa rêstich dat er snoarke.

Dat beloerde in leaf eachje,
in faam al wie se fan libben albast
dat him út de gek te fiter nimme woe,
dêr wie de lytse slûgerd syn bôge en pylk kwyt.
Doe’t er wekker waard en seach yn ‘t wyld
nei de grûn en nei boppen,
doe begûn er mei in skril lûd
om syn mem te roppen.

No is it gûlen en kjirmjen,
in getjrim sûnder ein.
Ja duvel nochris oan ta,
ik bin skeind, dûbeld skeind.
Of ik yn ‘e fierte sjoch of tichteby,
och myn ark is stellen.
Moart! ik wurd wer
metten mei myn eigen jellen.

_*-*-*_

Kortgeleden lag het lieve ventje,
met z’n gouden koppie en z’n vleugels,
in de duisterdichte schaduw van de bomen,
om te schuilen voor Phoebe’s stralen.
Hij had koker, pijl en boog er neergelegd
(het gereedschap waar hij zijn werk mee doet)
en viel kalmpjes in een diepe slaap
zo rustig dat hij er van moest snurken.

Op dit tafereel nu viel het lieflijk oog van
een jeugdige schone, die wel levend albast leek
en die hem voor de gek eens bij de neus wou nemen.
Ineens was de slaapkop zijn pijl en boog kwijt.
Wakker geworden keek hij wild om zich heen,
naar de grond en op naar boven,
waarna hij met een schel geluid
om zijn moeder begon te roepen.

Nou is het huilen en kermen,
een gemekker zonder eind.
Verdorie nog aan toe
ik ben geschonden, dubbel geschonden
Hoe ver ik kijk, of hoe dichtbij,
mijn gereedschap is gestolen
Oh jee, oh wee, ik word de maat
genomen aan mijn eigen duimstok!