En daar lag ik, weer mezelf

Jazower wijdt een hoofdstuk aan “het droomleven van de Chinezen”, uit de vierde, en eerste helft van de vijfde eeuw.

De droom van Tschuang-Tse staat als motto aan het begin van dat hoofdstuk:

»Ik, Tschuang-Tse, droomde eens dat ik een vlinder was, tot in het diepst van mijn wezen een heen en weer fladderende vlinder. Ik wist slechts dat ik mijn stemmingen als een vlinder beleefde, en was mij mijn menszijn onbewust. Plotseling ontwaakte ik, en daar lag ik: weer “als mezelf”. Nou weet ik het niet, was ik een mens die droomde een vlinder te zijn, of ben ik juist nu een vlinder die droomt een mens te zijn. Tussen mens en vlinder ligt een barrière. Haar overschrijden is transformatie.«

Jazower voegt aan deze droom in de toelichting het volgende toe.
De hier als motto voorgestelde droom van Tschuang-Tse is overgenomen uit het boek “Reden und Gleichnisse des Tschuang-Tse”, de Duitse keuze, van Martin Buber (Leipzig, 1910)
Een snelle blik op internet leert dat dat boek nog steeds antiquarisch is te verkrijgen. Tsuang-Tse was een voornaam taoïstisch filosoof, wiens droom van de vlinder in vele variaties nog steeds opgeld doet. Onderstaande afbeelding is van het affiche van een dansvoorstelling in de VS.

Van een heel andere orde is de  eerste ‘echte’ droom van het hoofdstuk, van Ma-Hing-Ping:

»Ma-Hing-Ping vroeg aan Keng: “Ik droomde afgelopen nacht dat bij thuiskomst de paarden dansten. Een tiental mensen probeerden ze te kalmeren, en klapten in hun handen. Wat betekent dat?”
Keng sprak: “Het paard is het vuur. Dansen is de uitbraak van vuur. Die tegen de paarden opstaan en in de handen klappen, dat zijn de brandweerlieden.”
Ping was nog niet naar huis teruggekeerd of het vuur brak uit.«

Met de volgende toelichting van Jazower.
* het paard is het vuur: het karakter “ma”, paard, bevat het veranderde karakter “ho”, vuur; (Pfizmaier, “Über einige Wundermänner Chinas”, Sitzungsberichte der Kaiserlichen Akademie für Wissenschaften, deel 85, pag 91)

Benen vangen

Jazower’s hoofdstuk Dat ben jij gaat over (toen) contemporaine Duitse dichters en schrijvers.

Daaruit de droom van Franziska Gräfin zu Reventlow:
»München, 16 december 1904. Ik wilde gaan schaatsen, en plotseling was daar de Husumer slotgracht, waar iemand door het ijs was gezakt en daarin vastgevroren. Ik had hem al veel eerder willen lostrekken, en ik vroeg Orlonsky mij te helpen. Samen trokken we hem er uit, hij leefde nog, maar brak letterlijk middendoor. Wij legden hem in de slaapkamer van mijn ouders in bed, mijn vader en Bubi waren er ook bij. Zijn haren vielen uit, en de benen liepen zelfstandig in de kamer rond.  We deden nogal wat moeite om ze te vangen – eindelijk was hij weer samengevoegd en levend, hij trok zijn jas aan om daarna te gaan eten, en ik bedacht met schrik dat ik met dit waterlijk in deze omstandigheden zou moeten aanschuiven. Daarbij leek hij op Düllberg.«

En de toelichting:
Franziska Gräfin zu Reventlow (Husum, 18 mei 1871 – Muralto, Tessin 27 juli 1918) – schrijfster. Haar Verzameld Werk verscheen in 1925 bij uitgeverij Albert Langen in München.
* mijn vader: Ludwig Graf zu Reventlow was elf jaar daarvoor gestorven. In oktober van hetzelfde jaar had ze gedroomd dat ze haar vader dood in een vijver had gevonden. Hij had zelfmoord gepleegd, en hield met gestrekte arm een plakaat voor zich waarop de doodsoorzaak werd vermeld.
* Düllberg: de schijver Franz Düllberg (Berlijn, 2 mei 1873)

Over Fanny zoals haar roepnaam kennelijk luidde is veel te vinden op internet, ook de dagboeken en brieven waaruit Jazower kennelijk deze droom heeft gehaald. Ze overleed aan de gevolgen van een val van de fiets.

In haar in 1913, ook bij Albert Langen verschenen sleutelroman “Hern Dames Aufzeignungen” heeft ze onder andere haar vriend en schrijver Franz Düllberg geportetteerd.  Net als Fanny zelf vertaalde hij, en juist ook uit het Nederlands: werk van Jo van Ammers-Küller (Die Frauen der Coornvelts, zelfs herdrukt in de jaren vijftig), Theun de Vries en Herman de Man. In 1933 ondertekende hij de Gelofte van Trouw Volgelingschap aan Hitler, aldus de Duitse Wikipedia. Hij stierf een half jaar later, in mei 1934.  Allicht zal De Vries op een andere vertaling hebben aangedrongen – bij Van Ammers-Küller is dat minder zeker. Helaas tref ik geen afbeelding van D. aan bij een eerste google-verkenning.

De wetenschap der dromen

In de alleraardigste speelfilm La Science des Rêves (regie Michel Gondry, F/GB/I, 2006) wordt in de openingsscène meegedeeld dat dromen een “delicate combinatie zijn van complexe ingrediënten”.  Zo is het maar net.  Uit onderstaand bijgesneden fragment, de begintiteling van de film, verklap ik met genoegen alvast de laatste zin: “in dromen zijn je emoties heel sterk”. Film van harte aanbevolen.

Science_des_rêves

RLS en Skerryvore

In hetzelfde hoofdstuk als waarin Balzac een plaatsje kreeg, ook een droom van Robert Louis Stevenson.
Eerst de droom.

«Het scheen hem dat hij op de eerste verdieping was van een eenvoudige boerderij in heuvelland. De kamer waarin hij zich bevond had het aarzelend begin van een zekere voornaamheid. Er lag een tapijt op de vloer, en tegen de muuur stond een piano, geloof ik, maar ondanks deze vefraaiingen twijfelde hij er eigenlijk geen moment aan dat hij in het veen was, bij mensen uit de heuvels, middenin de uitgestrekte heidevelden. Vanuit het raam keek hij uit op de binnenplaats van de boerderij, die sporen droeg van verwaarlozing. Over de wereld lag een grote, onaangename stilte. Geen levend wezen, de bewoners van het huis noch vee waren te zien. Alleen een ruige patrijshond lag tegen de muur van het huis geleund. Hij leek te slapen. Er was iets aan de hond dat de dromer onrustig maakte. Het was een onbestemd gevoel, want het dier had geen bijzondere kenmerken, integendeel, hij was zo oud, stom, smerig en ruig dat hij eerder medelijden zou wekken, en toch kwam de dromer steeds meer tot de overtuiging dat het helemaal geen echte hond was, maar een voorportaal van de hel. Hele zwermen zomervliegen zoemden slaperig rond de binnenplaats; plotseling strekte de hond zijn voorpoot uit, ving een vlieg in zijn open klauw en stak die in zijn mond, als een aap – en ineens keek hij naar de dromer op, en knipperde met zijn ogen.»

Jazower vermeldt over RLS het volgende.
Edinburg, 13 november 1850 – Apia/Samoa, 8 december 1894.
Als kind had hij veel angstdromen, waaruit hij meestal huilend ontwaakte. Hoe ouder hij werd des te realistischer werden zijn dromen, ze hadden de “Opeenvolgende werkelijkheid van het leven”. Zijn stemming overdag werd door zijn dromen beïnvloed, hij was zwaarmoedig als hij des nachts duistere dromen had gehad. Landschappen, sommige planten doken na maanden, soms jaren weer op; in zijn dromen las hij, droomde in episoden, vaak romanachtige voorvallen, die hij dan weer in zijn vertellingen gebruiken kon. Aan zijn dromen ontleende hij drie scenes voor zijn novelle over Mr. Jekyll en Mr. Hyde en stof voor zijn novelle “Olalla”.

RLS aan zijn schrijftafel in Skerryvore
bron van de foto

Jezower geeft drie dromen van RLS weer – uit praktische overweging koos ik deze, mogelijk volgen op een later tijdstip de andere (dan zonder verdere toelichting).
RLS woonde in deze tijd in Bournemouth, in een huis dat “Skerryvore” werd genoemd, naar de hoogste vuurtoren van Schotland die door zijn oom Alan Stevenson werd gebouwd. Het huis was gekocht door zijn vader voor hem en zijn vrouw Fanny, allicht in de hoop de rusteloze zoon wat te domesticeren. Het huis werd in 1940 door Duitse bommen verwoest. Op de plek in Bournemouth is nu ter herinnering een parkje met daarin een model van de vuurtoren waarnaar het huis werd genoemd. De onderstaande tekening is overgenomen uit Scribner’s Magazine van juli 1899, daarin opgenomen als illustratie bij een reeks brieven van RLS, die toen net waren gepubliceerd. Op internet is uitvoerige documentatie te vinden over RLS, Skerryvore en diens hier genoemde werken.

De pijp van de schoenlapper

In Scribner’s Magazine van november 1899 staat een mooi artikel over “Het Parijs van Balzac”, een verhandeling over de plekken waar Balzac heeft gewoond, tevens een beknopte levensschets.
Navolgend het slot van het artikel.
«”Op de 18e augustus 1850″, schrijft Hugo in zijn “Choses Vues”, zei mijn vrouw, die overdag bij mevrouw Balzac was geweest, dat hij stervende was. Mijn oom, generaal Louis Hugo, dineerde bij ons, maar zo gauw de maaltijd voorbij was, verliet ik hem en nam een rijtuig naar de  Rue Fortunée, in de wijk Beaujon, waar Balzac woonde. Hij had daar een paar gebouwen gekocht die er van de afbraak van de huizen van de heer Beaujon nog restten, en daar had hij een charmant klein huis van gemaakt, elegant gemeubileerd, met een porte-cochère aan de straat, en in plaats van een tuin een lange smalle bestraate hof met hier en daar verspreid wat bloembedden.
Hugo reed naar nummer 14 aan de Fortunéelaan. Die voorstedelijke laan is tegenwoordig (dus: in 1899) verbreed tot de Rue Balzac, en waar deze de Rue du Faubourg-St Honoré kruist, is een stuk tuinmuur waarin een tegel eraan herinnert dat op deze plek de plaats was van zijn laatste huis. Het huis zelf is verdwenen, maar men kan boven de muur het bovenste deel van een stenen paviljoen met Griekse zuilen zien uitsteken, dat naar verluidt door hem is gebouwd.
“Ik belde aan”, vervolgt Hugo, “de maan versluierd door wolken, de straat verlaten. Er kwam niemand. Ik belde opnieuw. Een huilende vrouw deed het hek open. Ik stelde mijzelf voor en werd in de salon op de begane grond gelaten. Op een piëdestal tegenover de open haard was een enorme buste gemaakt door David. Op een mooie ovalen tafel in het midden van de kamer brandde een waskaars. […] We liepen door een gang en beklommen de trap met een rode loper, waarlangs talloze kunstwerken stonden en hingen, beelden, schilderijen, vazen. […] Ik hoorde iemand luid en moeilijk ademen. Ik was in Balzac’s slaapkamer.”
“Het bed stond middenin de kamer. Balzac lag er in, ondersteund door een massa kussens. Zijn gezicht was paars, bijna zwart, en leunde naar rechts. Het haar was grijs en tamelijk kort geknipt. Zijn ogen waren open en staarden voor zich uit. Ik zag hem en profil, en zo leek hij veel op Napoleon […] Ik tilde het dek op en pakte zijn hand, die klam was van het zweet; hij reageerde niet op de druk. […]”
De buste die Hugo zag was gemaakt door David d’Angers, een verkleinde kopie ervan staat nu op het graf van Balzac. Zijn portret, in aquarel, werd binnen een uur nadat hij was overleden gemaakt door Eugène Giraud. Het is een ontroerend portret van de man, zijn weduwe vond het meer gelijkend dan enig gedurende zijn leven. Terwijl het lange lijden was verlicht, had het ook zijn gezicht verfijnd, en er was jeugd in te zien, kracht, majesteit. Het is het hoofd van een Titaan, die een niet te benijden alst droeg gedurende een leven van moedig en hard werken.


Balzac’s dood raakte kennelijk bijzonder snel bekend bij zijn schuldeisers, ze waren al snel aan de deur, een invasie in het huis – een roofzuchtige, plunderende horde die van kamer naar kamer trok, op zoek naar waardevolle spullen. Ze joegen de weduwe weg, zij vond tijdelijk onderdak bij Mme de Surville in de Rue des Martyrs, nr 47. Dit huis en nummer zijn tot heden (1899) ongewijzigd.
Kasten en laden werden opengetrokken, en overal werden papieren, schetsen voor nieuwe artikelen verspreid, en veel wat kon worden gered werd verzameld door zijn vrienden die zich ook naar de plek des onheils hadden gespoed. Zelfs in winkels in de buurt vonden ze later nog manuscripten, klaar om de boter en levensmiddelen in te verpakken. Eén karakteristieke en waardevolle brief werd in drie delen, in drie verschillende locaties opgespoord door een fan, het eerste deel nog net voor er de pijp van een schoenlapper mee werd aangestoken.
“Hij overleed ‘s nachts”, vervolgt Hugo, “Eerst werd hij naar de Chapel de Beaujon gebracht […] De begrafenisdienst werd gehouden in de Saint-Philippe-du-Roule. Toen ik bij de kist stond  herinnerde ik mij dat mijn tweede dochter daar werd gedoopt. Sindsdien was ik niet meer in die kerk geweest.”
“De rouwstoet ging dwars door Parijs, via de grote boulevards, naar de begraafplaats Père Lachaise. Toen we de kerk verlieten en toen we de begraafplaast betraden, regende het. Het was één van die dagen warop de hemel schijnt te huilen. We liepen de hele afstand. Ik liep aan het hoofd van de kist, één van de zilveren kwasten van het lijkkleed vasthoudend. Alexandre Dumas liep aan de andere kant. […] Bij het graf aangekomen, bovenaan de helling van een heuvel, was er een grote menigte samengestroomd. Terwijl de kist in het graf, dichtbij dat van Charels Nodier en van Casimir Delavigne, werd neergelaten, zeiden de priester en ik enkele woorden. Terwijl ik sprak ging de zon onder. Heel Parijs lag voor mij, ginds, in de stralende flarden van de zakkende schijf, de schijn waarvan de laatste resten in het graf aan mijn voeten schenen te vallen, terwijl de doffe geluiden van de zoden die op de kist vielen zich met mijn wooden mengden.”
Ja, uitgestrekt voor zijn graf ligt heel Parijs, zoals zijn Rastignac het zag, terwijl hij zich van de fosse-commune omdraaide nadat hij daar net het lichaam van  Père Goriot had ingegooid, en met zijn geheven vuist tartte hij de grootse, mooie, wrede stad: “A nous deux maintenant!”»


(bewerkt detail van een foto van Jim Linwood op Flickr )

Pro-actief

Nog vóór de landing van uw vliegtuig uit Bangkok, een risicobestemming, weet de douane dat u in het vliegtuig zit. Die gegevens moet de vliegtuigmaatschappij namelijk verplicht aanleveren.

Het hele bericht in Webwereld.

 

Hypo

De vrije westerse pers staat bol van de propaganda nu het lijkt dat de dagen van Gadaffi zijn geteld. Die zelfvoldane koppen, dat ze een collega hebben weggebombardeerd.
Daar schrijnt wel iets.

En de aasgieren zijn al weer volop actief.

Hemels licht en glans

Een ander hoofdstuk van Jezower is getiteld ‘Maskerade – van Andersen tot Strindberg’, zonder verdere uitleg van de ‘maskerade’.

Een droom van Balzac, in dat hoofdstuk.
“Aan Eva Hanska. Passy, 1 juni 1841.
Deze nacht, lieve grafin, heb ik u zo duidelijk en tastbaar in een droom gezien dat ik u, net als ik in de fabel van de twee vrienden, meteen schrijf. Ik ontwaakte bepaald verschrikt, omdat ik u zo duidelijk had gezien, ik sliep weer in en las daarna een lieve, lange brief van U. U was geenszins veranderd, waarover ik verrukt was. U was veraf en nabij tegelijk, maar ik had geen gelegenheid U de hand te drukken.
Misschien kwam de droom doordat ik over u sprak toen ik de avond ervoor met een Rus bij de dochter van de overleden Prins Kazlowski was, een zekere juffrouw Rzewuski, die met ons in Wenen is geweest, en die mij wilde aantonen dat U niet mooi bent (zelf is ze afschuwelijk). Of is er uiteindelijk een brief van U aan mij onderweg? Het ging net zo met mevrouw B., telkens wanneer ik haar schreef droomde ze over de brief. En de herinnering daaraan stemde me ineens bedroefd, terwijl ik aan mijn schriftafel zat, voor ik aan U schreef.”

 

En uit de toelichting bij de droom:

“Honoré de Balzac (Tours, 20 mei 1799 ~ Parijs 18 augustus 1850).
Balzac maakte kennis met Eva Hanska in de herfst van 1833, in Neuchâtel. Daarvoor hadden ze met elkaar gecorrespondeerd, en de verbeelding van de schrijver was ontvlamd, zijn nieuwsgierigheid gewekt en meteen bij hun erste samenzijn ontwikkelde zich een dweepzieke hartstocht. Ze bezwoeren zich elkaar toe te behoren, en, omdat mevrouw Hanska gehuwd was, op elkaar te zullen wachten. Ze troffen elkaar opnieuw in Geneve, later weer in Wenen. Vanaf de zomer van 1835 moest Balzac zich er bij neerleggen haar per brief van zijn onwankelbare liefde te verzekeren, en van tijd tot tijd over haar te dromen. “Ik heb van U gedroomd, en dat gebeurt me geen zes keer per jaar,” schreef hij haar in het voorjaar van 1842. In de herfst van het zelfde jaar: “ik droomde over U, ik drukte u aan mijn hart, ik hoorde uw stem, en werd door uw glimlach en uw hemelse blik getroffen, dromen waarin ik u terugvond, zoals U in Geneve was, dromen die wellicht mooier zijn dan de werkelijkheid, zoveel hemels licht en glans spreidt God daarover uit. Had ik toch elke acht dagen zo’n droom, dan kon ik zelfs ons gescheiden zijn dragen, als die echt te dragen zou zijn. Pas na een scheiding van acht jaren zag hij haar in de zomer van 1843 terug, in St Petersburg – haar man was intussen gestorven, ze was vrij, maar het duurde nog drie jaar voor ze zich verloofden. In maart 1850 was de bruiloft. Eva was toen zesenveertig jaar. Al na vijf maanden overleed Balzac, zij overleefde hem met tweeëndertig jaar.”

portret van Eva Hanska door Ferdinand Georg Waldmüller (1793–1865)

‘… als in de fabel van de twee vrienden’: naar een fabel van Lafontaine;
‘… die met ons in Wenen was’: Balzac had Eva Hanska in Wenen ontmoet, hij verbleef er van mei tot begin juni 1835;
‘… dat u niet mooi bent’, Balzac had, nadat hij Eva Hanska had leren kennen,  haar schoonheid beschreven in een brief aan zijn zuster Laura: “Wonderschoon … de mooiste zwarte haren van de wereld, de zachtste, heerlijk fijne huid van een brunette, een kleine hand om verliefd op te worden … ze heeft smachtende ogen die in een zalige glans oplichten.” Toen tegen hem werd gezegd dat ze niet mooi was, droomde hij dat ze helemaal niet veranderd was.
‘… mevrouw van B.’: Laura Antoinette de Berny, geboren  Hinner (24 mei 1777 ~ 27-07-1836); Balzac schrijft over haar: “mevrouw de B. was, hoewel getrouwd, als een God voor mij. Ze was voor mij moeder, vriendin, familie, vriend en raadgever; zij heeft de schrijver gemaakt, en de jonge man getroost, mijn smaak gevromd; ze heeft met mij als met een zuster gehuild en gelachen; dag na dag kwam ze als een weldadige slaap om mijn pijn zachtjes in te wiegen.” (uit een brief van 19 juli 1837)

 Henri Nicolas van Gorp: Madame Laure de Berny

Honing

De film Bal (Honing) van de Turkse regisseur Semih Kaplanoglu won in 2010 een Gouden Beer. Hieronder het fragment, waarin de vader tegen zijn zoontje zegt “dromen niet rond te vertellen”.

Honing