Tranen op de kaken

Ontwaken

Ik droomde – een droom vol tegenstrijdigheden,
Half licht, half duisternis, half waar, half waan,
Nu Profecij, dan Echo van ’t verleden,
Vaak beide in eens, en immer – half verstaan.

’k Greep schimmen, die mij door de vingren gleden;
Ik vloog, of kroop, maar niets werd afgedaan;
’k Heb in één uur genoten en geleden,
Heel ’t bonte lot eens Levens ondergaan.

Daar blonk de dag – de onzichtbre banden braken!
’k Rees op, nog met de tranen op de kaken,
En glimlachte om mijn dwaze hersenschim.

En ’k juichte: “o God, als aan de levenskim
De morgen Uwer heerlijkheid zal blaken,
Wat glimlach zal dàt wezen bij ’t ontwaken!”

J.J.L. ten Kate (1819-1889)

Een betekenisvolle scheur

Een hoofdstuk uit “Das Buch der Träume” gaat over dromen uit de tijd van de romantiek. Het hoofdstuk draagt het volgende motto van Novalis.

»Is niet iedere, zelfs de meest verwarde, droom, een uitzonderlijke verschijning die ook, zonder nog maar aan een goddelijke lotsbestemming te denken, een betekenisvolle scheur is in het gordijn dat met duizend plooien over ons innerlijk leven hangt?«

De eerste droom in dit hoofdstuk  is van Sophie Brentano:
“Ik droom vaak over jou, zonder echt aan jou te denken; maar misschien is dit wel het meeste wezenlijke, diepste denken. Bijna altijd zie ik jou met mooie vrouwen, waarmee je zeer interessante kleine romances beleeft. Twee waren bijzonder levendig. De ene heette Jeanette, ze was een avonturierster, een mooie zondares, waar jij zo van houdt. Ze was bij je in tal van vermommingen, en jij probeerde ze voor mij geheim te houden, tot ik het eindelijk ontdekte, en ik door jouw valsheid het huis uitliep. De tweede was een mooie, kokette vrouw uit mijn vroegere kennissenkring. Ze was erg teder naar jou, je ging de hele nacht met haar uit wandelen, en ‘s morgens hadden jullie het ontbijt in een mooie tuin, waar een klein meisje mij jullie aanwezigheid verklapte en mij heimelijk naar jullie leidde. Ik zag jullie zitten. Jij leek kil en verstrooid, maar ik wist niet wat je dacht, wat mij zeer ergerde, omdat ik toch in dit spel deelnemer en toeschouwer tegelijk was.”

Uit de verklaring:
Voor de Romantici waren dromen de dauw die onder de zon van de realitiet verdorde en verschroeide zielen opfristen en bezig hielden. In dromen vonden de Romantici een hogere vorm van de werkelijkheid. “Een droom verbreekt onze banden”, verklaart Novalis. “Een Goddelijk brouwsel”, broedend boven de diepten van de droomchaos. Als het licht hier de dingen omglanst, uit de duisternis tilt, verschijnt ze zuiver, als bij de schepping en in volkomen helderheid. En de gevoelens waarmee men zich aan deze dingen overgaf waren oorspronkelijk, “stegen tot ongekende hoogten”, in paradijselijke verrukking maar ook als helse pijnen. Alle gevoelens werpen zich in dromen, zo meent Jean Paul, “hoge golven vloeien in het hele hart.” En Tieck: “Alles dat we wakend van pijn en ontroering weten is slechts kil te noemen in vergelijk met de tranen die we in dromen plengen, tegenover elke hartklop die we in de slaap ondergaan. Dan is de laatste verharding van ons wezen gesmolten, en de ganse ziel vloeit in de golven van het verdriet.”
Veel meer dan ervaringen in wakende toestand ontvouwden dromen, volgen de Romantici een kosmische verbondenheid. Door dromen ondervonden ze dat er een “directe uitwisseling met voorwerpen mogelijk is”, dat alleen de dag zaken vervreemdt, maar de droom hun vreemdheid opheft en hun eenheid weer herstelt. “Ontdekkers van het onbewuste”, zo noemde Ricardah Huch de Romantici terecht. Ze stelden de droom boven de waak-ervaringen, leefden zich uit in de droomwereld, en ervoeren in haar de verdieping van hun levensgevoel. Dat maakt ook de wens begrijpelijk die Jean Paul ooit verwoordde: “Ik wilde dat ik tenminste muziek, liefde, landschappen, schoonheid, ja eigenlijk elke vreugde in mijn dromen kon genieten, in plaats van in wakende toestand. Want de droom is, zoals hij in de verhandeling “Over de natuurlijke magie van de verbeeldingskracht” schreef: “het Tempe-dal  en moederland van de fantasie”. Het is de canon van de poëzie. In geen enkele poëzie vindt men zoveel droom-vertellingen, zoveel uitspraken over dromen als in die uit de Romantiek. Philipp Lersch, die in het lezenswaardige geschrift “Der Traum in der deutschen Romantik”,  (München, 1923), beschrijft hoe in het leven en de poëzie van de Romantici de droom tot een romantisch probleem werd gemaakt, wees op de frequentie waarmee “het woord droom in de werken van de Romantici” voorkomt. In ‘Heinrich von Ofterdingen’ bijvoorbeeld, de varianten meegerekend, meer dan zeventig keer.
De Romantici hebben in hun literatuur dromen zo fantasievol en kleurrijk uitgewerkt dat de berichten over hun werkelijke dromen daartegen maar vaal afstaken.

Tot zover de introductie van het hoofdstuk over romantiek & dromen.

Over Sophie Brentano (*Altenburg, 28 maart 1770 – Heidelberg, 31 oktober 1806) geeft Das Buch der Träume het volgende.
Geboren Schubart. Haar huwelijk met de universiteitsprofessor Mereau werd in juli 1801 door een commissie onder voorzitterschap van Herder ontbonden; op 29 november 1803 huwde zij Clemens Brentano.
Hij was 8 jaar jonger dan zij, onderhevig aan “onrust” en wisselende stemmingen, en hij beschouwde Sophie soms “Himmelhoch jauchzend” als een engel, dan weer “zum Tode betrübt” als een ware duivelin.
Sophie en Clemens waren in hun huwelijk, zoals Achim von Armin schrijft, te vergelijken met twee orgelspelers, “die beide graag willen spelen, maar de ene krijgt dan ineens, als de ander al met spelen is begonnen, zin om de pijpen te gaan poetsen en te stemmen. Dan maken ze aanmerkingen op elkaar, dat de een de noten vals laat klinken en de ander dat er veel te veel onbeschaamd tussenin klinken.” Clemens was bang dat het huwelijk zijn krachten zou verzwakken, dat hij af zou stompen en trager worden, “en dat overkomt mij, mij die alles zo hartverscheurend ondergaat”, klaagde hij begin oktober 1804. Hij verlangde naar avontuur, verwachtte dat reizen hem zou opfleuren en dat zijn vriend Arnim hem zou troosten en opbeuren. Hij vertrok naar Armin, in Berlijn; maar eenmaal onderweg overviel hem het hevig verlangen naar Sophie, hij wilde eigenlijk terugkeren, maar was tegelijk bevreesd zich in de ogen van Armin belachelijk te maken. “De aarde heeft vast geen groter Don Quichot dan jij moeten dragen”, antwoordde Sophie op zijn jammerklacht.
Op reis moest hij er aan denken dat jaren eerder, Sophie, die toen nog met Mereau getrouwd was, met een geliefde de zelfde weg naar Berlijn gegaan was, onderweg met hem in één kamer geslapen had. Terwijl gevoelens van jaloezie hem pijnigen – “het lijkt alsof je mij zou kunnen bedriegen”, schreef hij haar op 9 november – droomt zij thuis vaker dat hij háár ontrouw is, en met mooie vrouwen kleine romances beleeft.
Hij verzekert haar dat dat wat zij over hem droomt niet aan de hand is: “Weliswaar ontmoet ik vele vrouwen, maar die vallen allen bij jou in de schaduw, ik zou niemand dan jij, mijn begeerde, willen kussen, of aan mijn hart drukken – dat gevoel is zo oneindig groot, dat ik niets anders kan waarnemen.”
Maar zo veel schaduw werpt Sophie toch ook weer niet, want Clemens schrijft, nadat hij uit Berlijn vertok aan Armin: “En groet vooral Pistor [*] van mij. Zeg haar dat als ik in mijn vrouw niet minstens één kwart terug vindt van wat ik bij Pistor vond, dan keerde ik terug naar haar kelder om in de verboden appel te bijten.” (26 december 1804). In een andere brief wenst hij dat zij “een minnaar krijgt die liefdevoller is dan ik”, waarop Armin antwoordt “Als ik Pistor alles had gegeven wat jij mij vroeg, wie weet hoe ongelukkig ze daarmee zou zijn! Je schrijft haar meer fraais dan je haar ooit rechtstreeks tegen haar zei.” En enkele weken later laat hij Lotte Pistor, via Armin weten, dat hij van haar heeft gedroomd en dat hij haar hand kuste. (brief van 15 februari 1805)
Sophie was toen zwanger; haar tweede kind werd in mei 1805 geboren, maar leefde, evenmin als haar eerste, niet lang. Bij de geboorte van het derde kind stierf Sophie. “Leeft mijn kind?”, waren haar laatste woorden. Binnen tien maanden hertrouwde Clemens, met Auguste Busmann.

Op internet ciruleert het onderstaande portret van Sophie. In 2006 is er bij gelegenheid van haar sterfdag zelfs een heuse wetenschappelijke conferentie aan haar werk gewijd. Door haar opvattingen, vriendenkring en schrijfvaardigheid is ze ruim tweehonderd jaar na haar dood nog steeds van academische interesse. Haar werk is -in het Duits- verkijgbaar in twee pocket-boeken.

~*~*~

[*] waarschijnlijk wordt bedoeld de echtgenote van de Berlijnse  instrumentenbouwer Karl Pistor (1778 – 1847), die er zelf ook nogal ruimhartige opvattingen over huwelijkstrouw op nahield – hij erkende zes kinderen die hij bij zijn maitresse verwekte (en Lotte zelf kreeg er vier met hem).

Toch niet verloren raken

Het leukste aan een droom is dat hij overgaat in de werkelijkheid. Dat laat ons meestal niet onverschillig. Er kan opluchting zijn. Of weemoed, het eindeloze verlangen naar meer. De inspiratie: ik las over een Schotse uitvinder die zittend sliep, met een zware bal in zijn hand. Als de bal viel, werd hij wakker, noteerde hij zijn droom (zijn uitvindingen heeft mijn geheugen niet meer opgediept). Of een ander overgeleverd verhaal. Die héél bijzondere, ja superieure droom. De dromer schreef het, slaapdronken nog, middenin de nacht op op een stukje papier dat toevallig onder handbereik lag. In de vaste wetenschap dat bij ontwaken zich een ware revolutie zou ontvouwen, viel hij onmiddellijk weer in slaap. Toen hij wakker werd herinnerde hij zich het nachtelijk avontuur, graaide op het nachtkastje, vond het papiertje en las deze woorden: “klein vogeltje”.
Maar soms vertaalt de droom zich wel degelijk profijtelijk in de werkelijkheid. Al was het in de kunsten: Picasso’s Le Rêve hoort nu tot de duurst geveilde schilderijen ooit. Of, van een heel wat poëtischer orde: Oblomov’s droom – die “als in een echte droom, [de lezer] voorziet van een onverwachte, interessante, in de grond intuïtieve informatie, die iets van de diepere betekenis van de dagelijkse gebeurtenissen [in het boek] verheldert”. *1

In de zomer van 2011 zendt de BBC-televisie een aardige reeks uit rond de vraag naar de echtheid van kunstwerken onder de titel Fake or Fortune. Eén uitzending *2 werd gewijd aan Han van Meegeren. De meestervervalser die in het midden van de 2Oe eeuw heel wat kunst-ego’s aan het wankelen bracht met zijn voorstelling van de Emmausgangers door Vermeer. In de uitzending heet het dat Van Meegeren “dreamed up” de voorstelling, een fraaie uitdrukking voor al het werk dat vooraf ging aan die ene fout, het plaatsen van het signatuur van Vermeer (in werkelijkheid herinnerde Van Meegeren zich een tafereel uit zijn jeugd, op een mooie zomeravond uit logeren bij een oom, toen hij de slaap niet kon vatten. Hij wandelde in de tuin, keek door het raam naar binnen en zag zijn oom met een aantal gasten om tafel zitten, in een configuratie die uiteindelijk tot de Emmausgangers zou leiden.) *3

Van herinnering naar fantasie. Voor de droom is de herinnering vitaal. Geheugen-expert en hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie Douwe Draaisma doet er in zijn Vergeetboek nog een schepje bovenop, door de filosoof Dennet aan te halen. In een experiment wordt een niet bestaande droom gereconstrueerd. Een proefpersoon moet door het stellen van ja-nee vragen proberen een droom te achterhalen bij een gezelschap mensen. Echter, er is geen droom; als de laatste letter van de vraag in de eerste helft van het alfabet valt, is het antwoord bevestigend, anders ontkennend. Er komen overtuigende dromen uit voort. Dennet noemt, aldus Draaisma, dit “gezelschapsspel” psycho-analyse.

Het hoge woord is er uit: Freud. Pas door het grote belang dat de grondlegger van de psycho-analyse aan dromen hechtte, zijn dromen een flinke tijd ontdaan geworden van het aureool van plezierige of angstaanjagende nonsens dat ze voordien toch óók vaak hadden. Dromen kregen ineens zin, en betekenis. En hebben intussen, een goede eeuw en héél veel wetenschappelijk onderzoek later, wel weer flink aan die gloed ingeboet. Het lijkt dat een dagelijkse meditatie die zich over meer jaren uitstrekt even heilzaam is voor een gezond geestelijk leven als een even langdurige analyse.
Ook Jung heeft zich -en dat begon al in de tijd van de samenwerking met Freud- intensief met dromen bezig gehouden, en in artikelen de praktische bruikbaarheid van dromen in de behandeling van neurosen aangetoond. Toch zijn ook bij Jung fraaie staaltjes van behoorlijk vergezocht redeneren te vinden. Dat leidt soms wel tot bijzondere conclusies als die welke zijn weergegeven in -bijvoorbeeld- de getallensymboliek: een dromer herinnert zich uit de droom een getal. Dat getal leidt tot associaties bij de patiënt die terugvoeren naar een willekeurig aantal geboortedata van gezins- en familieleden. De uiteindelijke som van cijfers in die data komt overeen met het getal uit de droom – waaruit wordt geconcludeerd dat de dromer erg hecht aan zijn gezin, maar ook verliefd is. Ik vat het wat ruw samen. *4

Nee, dan Draaisma – met een nuchterheid die zijn geboortegrond eer doet: »Zelfs al zouden de losse elementen in een droom op toevalsontladingen berusten, dan hoeven verloop en beleving van de droom nog niet betekenisloos te zijn. Misschien is het tegendeel wel waar en geeft juist de wijze waarop iemand orde probeert op te leggen aan chaos, inzicht in wat hij denkt, vreest en verlangt. Dit ene verhaal kan betekenis hebben omdat uit dezelfde draden zoveel verschillende patronen geweven kunnen worden.« *5 Waarmee hij impliceert dat de droom volstrekt multi-interpretabel is, hetgeen ik graag onderschrijf.

Behalve natuurlijk voor de goede verstaander.

Het schitterende

… En met de geur van water in de schaduw, een groene.
Ik kantelde de bemoste stenen om
de zilvervisjes weg te zien glibberen.
Het was een droom over het plezier van het omkeren,
die wetenschap dat je van alle kanten …
en dan toch niet verloren raken!
De vrijheid om vanuit elk opzicht het uitzicht …
Zoals dieren ruiken dat het gaat regenen, terwijl
de lucht nog blauw is. Ja
dat moest ik beter begrijpen.
Ook de wolken behoren tot het landschap
Niet altijd denken dat omhoog kijken meteen
het zwaard naar beneden laat suizen.

Het was een droom over kristalhelderheid,
waarin ik mijn eigen bewegingen zag,
die ik maaakte in slaap.
Een slaapvattend mij.
Eerst een slaapdronken ademen en dan
het kneden van droom door hersens
om met veel zuurstof wakker te worden.

Uit bed gesprongen om vlug in de spiegel
te zien wat er in zat die dag.
De zilvervisjes, die van onder uit de slaap
naar boven waren geschoten door mijn gezicht
en zich hadden verborgen in de schaduw bij de mond
de ogen de haargrens.
Ik telde mijn geld
en liep in de dag
met een zilvergezicht.

Elma van Haren *6

De droom die overgaat in de werkelijkheid.

Op een rommelmarkt kocht ik begin dit jaar Das Buch der Träume, door Ignaz Jezower *7.

Dat begint zo: »Uit het isolement, waarin wij de dingen door onderscheid plaatsen, uit de starheid waarin we ze verbannen, bevrijden we hen weer in onze droombeschouwing. Niet meer aan vorm gebonden en niet meer door eigenschappen belast, waardoor ze juist hun klassifikatie verwierven, verschijnen ze ons nu in de willekeur van hun anders-zijn, nog steeds als dingen, wier bijzonderheid wij bij waken door specifieke functies aan banden legden. Ondanks die verandering is een boom nog een boom, ook wanneer de boom kan praten, is een tafel nog een tafel, ook als hij door de straten wandelt, en een mens houdt niet op mens te zijn als er vleugels uit zijn schouderbladen groeien, zijn voeten tijgerklauwen blijken; het wezen van een voorwerp wordt door zijn tegendeel niet opgeheven, een wezen door zijn polariteit niet verontreinigd.«

De werkelijkheid die zichzelf bevrijdt in de droom – eigenlijk even aangenaam als het omgekeerde.

Het vorenstaande dient als opstapje naar een reeks citaten uit het boek van Jezower. Het boek bevat twee delen, het eerste een overzicht van overgeleverde dromen uit de wereldgeschiedenis, het tweede deel een interpretatie ervan, gelardeerd met wat biografische gegevens over de dromer. De dromen zijn opgedeeld in verschillende hoofdstukken, bijvoorbeeld historische perioden als “de tijd van de aartsvaders” of “dromen in de wereldoorlog”, thema’s, “intellectuele prestaties in dromen” of naar het beroep van de dromer “dromen van filosofen”, dromen van geleerden”.
Voor de dromen is op deze webbladzijden een aparte gelijknamige rubriek waarin ze samen ineens zijn te lezen.

Als voorproefje een eerste droom, geheel willekeurig gekozen naar de bladzijde waar ik het boek opensloeg. Uit het hoofdstuk Dromen van Geleerden,
Franz von Paula Gruithuisen: “(…) Een andere keer droomde ik dat ik in mijn bibliotheek, die echter in Slot Haltenberg in een grote kamer was gelokaliserd, naar de Adagia van Erasmus van Rotterdam zocht, maar ik kon het boek niet vinden. Doordat ik echter wist hoe de band er uitzag, stond ik naar de ruggen van de boeken te kijken, die door helder zonlicht werden beschenen – ik keek van links naar rechts. Ik rekte mij uit en daarop schenen de boeken gedurende enkele seconden, als in een kijkdoos, zelf van links naar rechts te wandelen.”
De volgende toelichting. “Franz Paula von Gruithuisen (19-03-1774 ~ 21-06-1852); schrijver van natuurwetenschappelijke werken, professor in de astronomie aan de universiteit van München. Slot Haltenberg ligt in Beieren, waar Gruithuisen werd geboren. De adagia van Erasmus van Rotterdam zijn een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken, door Erasmus van commentaar voorzien.”

Wellicht niet de allerspannendste droom voor een eerste voorbeeld, maar een bibliotheek in een droom is voor mij immer een geslaagd beeld.

*-*-*-*
*1 Maria Kardaun, Interpreting the Dream of Oblomov; in: Self & Society, vol 23 #3, July 1995
*2 uitzending van 3 juli 2011
*3 De plaat met de dubbele afbeelding is afgebeeld in “Emmaus” van Marie Louise Doudart de la Grée [Utrecht, Bruna, zj.]
*4 C.G. Jung, Dromen; Rotterdam, Lemniscaat, 2e druk 1989, pp 19-21
*5 Douwe Draaisma, Vergeetboek; Groningen, Historische Uitgeverij, 2010 – pp 39-64: Waarom we dromen vergeten
*6 uit: Zeehond graag, Amsterdam, Van Oorschot, 2000
*7 Berlin, Ernst Rohwolt Verlag, 1928

AU!

De geoefend bancair observator wordt het soms bang te moede en droef om het hart.


Het komt nog steeds voor.

Verdrietige bankjes.

Zo verwaarloosd. Wie bekommert zich om het bankje dat is in de knop is gebroken, gevallen, oud en eenzaam?


Bedenk eens hoeveel vermoeiden het tot steun is geweest. Er is gelezen, vol bewondering de avondschemer aanschouwd. Vol heimwee de in de verte verstervende roep van de leeuwerik gehoord.  Misschien hield Rikus wel de hand van zijn Maartje vast, maar durfde hij niet verder gaan.


Hoe wreed kan het lot zijn dat een bankje soms treft.

En ach, héél af en toe zijn we dan ineens ook weer heel vertederd. Dan speelt de romanticus in ons op, en houden we óók van alle lelijke eendjes.