KAMPEEREN PER SPOOR

Gewoonlijk is het zoo, dat een uitnoodiging, gericht tot de krant, tevens vergezeld gaat van de mededeeling, dat men in zwart costume, of in avondtoilet dient te verschijnen. Het zal echter nog weinig zijn voorgekomen, dat op de redactietafel een uitnoodiging terecht kwam, waarin den betrokken journalist werd verzocht te komen in zoo sportief mogelijke kleeding, dus in shorts, polohemd, en met de rugzak om. En het zou bovendien, laten we zeggen tien jaar geleden, tot de onmogelijkheden hebben behoord, dat de spoorwegdirectie tot de pers een dergelijke invitatie liet uitgaan.

Waarlijk, er is zoo wel het een en ander veranderd — overpeinsden wij, toen de president directeur van de Spoorwegen, prof. Goudriaan, in Juni 1939 een aldus sportief gekleed gezelschap journalisten ontving, om hun goede reis te wenschen, en tegenwoordig te zijn bij hun afscheid van de beschaving. Dat gezelschap stapte op het Utrechtsche station in een paar goederenwagens, niettegenstaande iedereen een vrijbiljet tweede klasse in den zak had, deed dat zelfs nog met opgewekte en vroolijke gezichten, zonder zich bekocht te gevoelen en zonder onmiddellijk klachten te doen bij den stationschef. Prof. Goudriaan gaf in hoogst eigen persoon het vertreksignaal voor deze wel merkwaardige en haast ongelooflijke expeditie, en daar schoot de trein van vijf goederenwagens het station uit, om zonder veel verwijl door te stoomen, via Geldermalsen, Kesteren en Nijmegen naar Mook, officieeler: Mook-Middelaar.

En gij, die dit leest, zult U waarschijnlijk gaan afvragen, of de hartewensch van iemand, die het slecht meent met de journalisten, in vervulling was gegaan, doordien dit achtbare gezelschap naar de Mookerhei was verwezen, of dat er wellicht reeds, dank zij nog onbekende regeeringsvoorstellen en -besluiten, een concentratiekamp voor dagbladschrijvers was opgericht, dat nu plechtig zou worden geopend en meteen maar in gebruik gesteld.
Het spijt misschien den lezer, dat zulks niet het geval was; neen, gelukkig niet. De oorzaak van deze vlucht uit de beschaving — och ja, je leest tegenwoordig zooveel van „vluchten uit”, zelfs uit den gulden, wat eigenlijk onbegrijpelijk is, waarom zouden de journalisten niet eens uit de beschaving vluchten? — was dat de spoorwegdirectie ons een primeur had gegund, namelijk een tocht met den eersten kampeertrein. En daarom lagen er in de goederenwagens stroozakken, daarom staken we onmiddellijk na het vertrek een pijp op, en daarom hadden we niet in rok, althans in smoking behoeven te verschijnen. Doch de vereischte korte broek was enkelen van ons toch nog te bar geweest; zij verwisselden hun lange dito pas voor de korte, toen het oog geen stadshuizen meer ontwaarde, doch alleen nog sappige weilanden. En met de lange broek verdween tevens het laatste vernisje cultuur, dat hen zooeven nog had gesierd: de das…

Om het geheugen van den lezer eerst wat op te frisschen het volgende. In het begin van 1939 heeft de directie van de Spoorwegen besloten, tijdens het zomerseizoen zoogenaamde kampeertreinen beschikbaar te stellen, voor gezelschappen jongelui met begeleiders. Deze kampeertreinen bestaan uit goederenwagens, “waarin de nacht wordt doorgebracht op stroozakken”. Er kan uit tien standaardreizen een keus worden gedaan, welke reizen een week duren. De reizen zijn: Oisterwijk — Gilze Rijen — Bergen op Zoom — Goes — Vlissingen; Meppel — Assen — Rolde — Groningen — Grouw/ Irnsum; Harderwijk — Wezep — Raalte; Oosterbeek Laag — Dieren — Doesburg — Lochem — Delden — Nijverdal — Wezep; Ede/Wageningen — Oosterbeek Laag — Mook/Middelaar — Meerssen; Delft — Scheveningen — Vogelenzang — Bennebroek — Alkmaar — Den Helder — Castricum; Oldenzaal — Delden — Lochem — Voorst, en dan nog drie van de genoemde tochten in omgekeerde volgorde.
Elke trein bestaat uit minstens vier goederenwagens, terwijl voor de bagage ook een wagen wordt meegevoerd. Aan iederen tocht moeten minstens 32 jongens of meisjes deelnemen, terwijl per 8 deelnemers 2 volwassenen als geleiders mee kunnen.
De treinen volgen de aangegeven route en blijven dan telkens op een station een of twee dagen staan, zoodat men dien dag of dagen uitstapjes in de omgeving kan maken, en in den trein kan eten en slapen. Is de tijd aangebroken dat de trein weer verder moet, dan wordt hij achter een trein van de gewone dienstregeling gehaakt, en naar het volgende station getransporteerd, waar hij weer op dood spoor wordt gereden, en een dag blijft. De wasch- en toiletgelegenheden op het betrokken station zijn dan ter beschikking van de kampeerders.

De tarieven voor deze kampeertreinen zijn zeer laag gehouden: zij komen neer op ongeveer een cent per deelnemer en per kilometer. Voor een wagen wordt f 36 berekend, in welk bedrag is begrepen stroo, wagenhuur, en vrij vervoer voor elken deelnemer en geleider voor een reis van 300 K.M. in kampeerwagens en in de derde klasse van en naar plaats van inwoning naar en van resp. begin- en eindpunt van den kampeertocht.

Het laat zich aanzien, dat van deze kampeertochten een druk gebruik zal worden gemaakt, aangezien dit een goedkoope en unieke gelegenheid is, om de mooiste streken van ons land te bereizen, en er op zijn gemak eens een kijkje te nemen.
Want – dat is een belangrijk ding – wij kunnen nu uit ervaring spreken. Wij hebben — al waren wij dan allemaal ouder dan den gestelden maximum leeftijd van 19 jaar — een kampeerreis gemaakt, onder geleide van den publiciteitschef der Spoorwegen, den heer Schiferli, die het voorbeeld van sportiviteit had gegeven zelfs in die mate, dat de eerzame stationschef van Mook kennelijk moeite had, om in hem een “afdeelingschef uit Utrecht” te erkennen, komende deze autoriteiten blijkbaar gemeenlijk in ander, lees stemmiger, tenue langs de lijnen.

Evenwel nochtans, en desalniettemin, Mook is een lieflijk laatsje, waar we een prachtige wandeling door de heideheuvels hebben gemaakt, en spieren, die reeds lang de beweging ontwend waren tot nieuwe activiteit hebben geprikkeld door een forsch partijtje voetbal onder het goedkeurend oog van enige militairen, die met schoppen en goede humeuren waren opgecommandeerd in verband met ons kampvuur, dat de kampleiders Carl Denig en zijn assistenten zouden ontsteken.
En zoo zag de dalende avond op de Mookerheide de fine fleur van de vaderlandsche journalistiek als spookachtige gedaanten in wollen dekens gehuld rondom een hoog oplaaiend vuur zitten, waar pindas en sappige verhalen de ronde deden, en kampliedjes opklonken, wier inhoud meestentijds minder logische en verstandige gedachten opleverde dan deze kampeerders te midden van de beschaving gewoonlijk aan het papier plegen toe te vertrouwen. Maar daarvoor ben je dan ook ,,hors culture.”
Toen de geheele wijde omtrek van het station geen hout meer opleverde voor het vuur, zijn we onder de wol gekropen, op onze stroozakken, en werden onze wagens gehaakt achter een trein die ons verder naar het zuiden zou brengen.
Het was dus de bedoeling, dat wij slapende zouden reizen, of reizende zouden slapen, en iedereen was nieuwsgierig naar den afloop van dit experiment.

Enfin, om kort te gaan, de meesten hebben geslapen terwijl de trein aan de tusschenstations stil stond de anderen zijn juist op die tijdstippen wakker geworden, en konden dies de meest fantastische verhalen doen omtrent verwonderde uitroepen van brave spoormannen, die nog nooit van z’n leven zoo in het holst van den nacht goederenwagens met menschen hadden zien arriveeren, althans menschen, die zich daarin uit eigen vrijen wil hadden neergevlijd. Toen de trein definitief bleef staan, was dat op het station van Meerssen in Zuid Limburg, waar de verdere dag is gepasseerd, waar vroeg in den morgen het gebruikelijke stationsbeeld werd opgeluisterd door zich scherende en wasschende journalisten, en door den bakker en den slager, die brooden en vleezen kwamen deponeeren, en zich waarschijnlijk ten zeerste verwonderd hebben afgevraagd, welke Philistijnen over hen waren gekomen.

Het bleek evenwel een zeer vreedzame bezetting te zijn, getuige het feit, dat gezegde Philistijnen zich als jonge honden door het malsche gras van de weide achter het station wentelden, toen zij het voortreffelijke ontbijt — waaraan zelfs de meest verwende Lucullus niets ontbrekends vermocht te ontdekken — dat het echtpaar Denig en zijn assistenten hadden klaar gemaakt, in de tent en daarvoor hadden verorberd. Met rose humeuren hebben we toen een wandeling door Meerssen’s schoone dreven gemaakt, waarna de huishoudelijke plichten weer riepen: aardappels jassen en wortels schrapen.
Na den eten borden wasschen, den boel inpakken, en voor we het wisten stond de trein al weer voor, die ons naar de beschaving zou terug voeren. Op die cultuur hebben we ons toen maar vast voorbereid met eenige robbertjes bridge, want tegen al te plotselinge overgangen dient een mensch nu eenmaal zorgvuldig te waken. Dat hebben de meeste deelnemers wel gemerkt aan hun verbrande knieën en armen . . .

uit: Gedenkboek 100 jaar spoorwegen, 1939

 

Lachen voor de camera

In een wetsvoorstel pleit minister Opstelten voor het opslaan gedurende vier weken van kentekengegevens. Het gaat om foto’s van de voor- en achterkant van auto’s, bestuurders en passagiers plus tijdstippen en locaties. Lees verder bij Webwereld

Tagged with:
 

Voorgoed

Informatie die de Engelse politie ook heeft moeten prijsgeven, is de leeftijd van mensen die -voorgoed- in de DNA-database worden opgeslagen. Het maakt niet uit of betrokkene iets misdaan heeft of niet. De oudste (man) wiens DNA is opgeslagen, was 102 jaar oud. De jongsten zijn drie jongetjes van tien jaar, waarvan bij twee is vastgesteld dat ze onschuldig waren. Maar ze zijn voor altijd gebrandmerkt. Hun genen-profiel is voor elk politiekorps ter wereld, uiteraard alleen in godvrezende, blanke, westerse democratieën, beschikbaar.

 

Ondermijnen

In veel niet-democratische staten komt er gewoonlijk een omslagpunt, waar de politie de burger niet langer beschouwt als degene die bescherming behoeft, maar eerder als een latente crimineel. Die grens lijkt intussen ook in Engeland overschreden, hoewel sommigen volhouden dat het de oudste democratie ter wereld is.
De Engelse politie blijkt -nadat ze gedwongen moest worden de informatie vrij te geven- de persoonlijke gegevens (naam, adres, woonplaats, contact-gegevens, en zo mogelijk ras en geboortedatum) van iedereen te bewaren die probeert iets aan te geven. De vastgelegde gegevens kunnen altijd in toekomstig onderzoek gebruikt worden. De gegevens worden nooit meer gewist.
Uiteraard wordt gevreesd dat het vertrouwen van het publiek in de politie nog meer wordt ondermijnd.

 

Zou het beter worden?

Bekend managerstruukje is “moeilijke tijden” te gebruiken om “verwachtingen naar beneden bij te stellen”, en dan na een tijdje te kunnen zeggen dat die “ondanks de zware omstandigheden” toch … – en de bonus kan alsnog geïncasseerd.
Het was een droevig jaar voor de privacy. Maar Webwereld ziet licht in de verte, door actiever wordend verzet van burgers.