Veranda

Molly G. Schuchat, cultureel antropologe in Amerika, heeft in een vriendelijke schets de functie beschreven van een reeks bankjes tussen een drukke snelweg en de uitloper van een park, in Washington DC. Ze woont in de buurt. Haar conclusie, op basis van anderhalf jaar “participerende observatie” en gesprekken met betrokkenen is even eenvoudig als voor de hand liggend.

De banken functioneren als een gemeenschaps-veranda, een brug tussen het publieke en het private. Een territoriale, maar tevens symbolische ruimte; de banken zorgen er voor dat de verschillende “elementen” van de stad vredig bijeen kunnen zijn. Die vredigheid is relatief, de banken werden in het midden van de jaren tachtig vastgeketend, omdat vandalen ze steeds van de voorliggende helling gooiden. Het Hoofd Onderhoud van het park, herinnert zich hoe lastig het was de banken weer terug omhoog te rollen “vooral bij nat weer”. Tegelijk geven ze gelegenheid voor een moment van rust temidden van de dagelijkse hektiek als ook een bestemming voor hen die met vogels en eekhoorns willen voeren.
Molly’s slotsom luidt dat flatbewoners een veranda (het Amerikaanse porch) willen bij hun huis. Als dat dan niet kan, dan tenminste een stoep, of andere verhoging, om op of naast het voetpad te kunnen zitten. Maar architecten en andere plannenmakers hebben daarop vaak geantwoord in de vorm van balkons, en van besloten achtertuinen. Die ontberen de mogelijkheid op het niveau van oogcontact te verkeren met medebewoners. Ontberen daardoor de mogelijkheid om bekende gezichten te (gaan) herkennen, het patroon van activiteiten èn de veranderingen waar te nemen die daarin plaatshebben.

 

Zwerver

Je hóórt de opmaakredacteur van Binnenlands Bestuur (een weekblad voor “ambtenaren en bestuurders van lagere overheden”) denken “ach, dat zien ze toch niet”.

Bovenstaand stukje stond in Binnenlands Bestuur van 18 april 2003.

Wat zouden ambtenaren en bestuurders van lagere overheden toch tegen zwervers hebben? Het is vast niet netjes genoeg, zo’n vieze ouwe man op een bankje…

 

Stedebouw

Het zijn niet alleen Hausmann of kindvriendelijke gemeentebestuurders die aandacht hebben voor bankjes. Het is een heus onderdeel van stadsplanning. R. Blijstra schreef er al in de zestiger jaren over, in zijn Nederlandse Stedebouw na 1900. Na de Tweede Wereldoorlog ging het dan vooral om het openbaar groen, ingetekend tussen de grauwe flats, waar kinderen moesten kunnen spelen. De moeders konden daar dan weer toezicht op houden. Op het bankje. Foto boven is uit het desbetreffende boek.

Dit is de passage uit het boek van Blijstra (Nederlandse Stedebouw na 1900 – uitg. P.N. van Kampen en zoon, Amsterdam; zj (1965?) – pag 51-5):

(…)
Hoe komt dus de architectonische kant van de stedebouw tot uiting, die op de buitenstaander, die echter tevens gebruiker en dus deelhebber is, de grootste indruk maakt? Het kan hem niet veel schelen hoe het komt dat de stad goed functioneert, daar moet ‘men’, dat zijn dus in dit geval de stedebouwkundigen, voor zorgen; wat hem echter onmiddellijk aangaat is: vindt hij de stad mooi? Is hij er graag?
Hoewel mooi vinden en ergens graag zijn niet altijd twee elkaar dekkende begrippen vormen, zijn ze bij velen vrijwel identiek: als men ergens graag is, als men iets aangenaam vindt om in te verblijven vindt men het uiterlijk ook meestal aangenaam om te zien en acht men de omgeving waarin men verkeert mooi. Schoonheid en doelmatigheid, gezelligheid en welbehagen, voldoening aan sociale en hygiënische eisen en fraaie rangschikking behoren in de stedebouw hand in hand te gaan en wat de gebruiker van dat alles bewust merkt, is niet altijd duidelijk en hij merkt de ene keer ook iets anders dan de andere keer. Bij het ontstaan van stedebouwkundige details is evenmin altijd na te gaan wat er eerst was: de behoefte tot een in sociaal opzicht bevredigende oplossing of de neiging van de architect iets fraais tot stand te brengen. De vraag dus: “hoe zijn we van een gesloten stenen stad tot een open groene stad gekomen”, is niet rechtstreeks te beantwoorden.
De overtuiging die reeds op het einde van de negentiende eeuw heeft postgevat, dat de mens recht heeft op een behoorlijke huisvesting, heeft de stedebouw beïnvloed, maar men kwam toen niet meteen op het denkbeeld om bij voorbeeld de woning op de zon te oriënteren of gemeenschappelijke tuinen aan te leggen of groenstroken tussen het verkeer en de woonbuurt te leggen. Gemeenschappelijke tuinen in gesloten blokken werden reeds in de twintiger jaren aangelegd en in diezelfde tijd maakte men al overdekte galerijen, gevormd door de laagste balkons en een verdiepte vloer, waar de kinderen als het regende toch min of meer buiten konden spelen.
Aan de Scheepemtraat te ‘s-Gravenhage werd zelfs in 1903 door de architect J. van der Pek reeds een gemeenschappelijke tuin ingericht. De vraag deed zich toen reeds meteen voor of men deze tuinen als ‘kijktuinen’ vrij van bezoek moest houden, of dat men de kinderen de gelegenheid moest geven hier te kunnen spelen. Hiertegen bestond vooral bij de tuinen die op geheel door woningen omgeven binnenterreinen gelegen waren, het bezwaar dat de bewoner noch vóór, noch achter in zijn woning rust vond.
S. van der Galen wijst in een artikel in Bouw (1954, blz. 754/757) op die eerste moeilijkheden. Nadat hij de aandacht erop vestigt, dat vooral zieken en arbeiders in continubedrijven, die dus overdag moeten slapen, veel hinder van zulke op binnenterreinen gelegen speelplaatsen hebben, komt hij tot de conclusie dat ze daar niet thuishoren. Wil men de omwonenden te grote overlast besparen, dan dient er regelmatig toezicht te zijn en dat toezicht zal helaas moeten bestaan uit het verbieden van veel voor de jeugd aantrekkelijke bezigheden, met weer als gevolg dat zelfs de zes- en zevenjarige kleuter het al gauw een saaie bedoening vindt en liever de straat opzoekt, waar het volle leven hem wacht.
Het systeem dat in verschillende steden meer en meer toepassing vindt, waarbij de speelwerktuigen in de onmiddellijke nabijheid van, maar buiten de woonblokken worden geplaatst, acht Van der Galen de juiste en door de jeugd meest gewaardeerde oplossing. De bewoonsters heb- ben haar kinderen toch in de omgeving, terwijl deze zich niet in het benauwde keurslijf behoeven te bewegen, dat nu eenmaal bij het spelen op een binnenterrein moet worden aangelegd. Hoewel hiervoor aan de overwegingen om de kijktuin tevens als recreatietuin te benutten werd gedacht, heeft men ook al in de eerste tuinen, waarschijnlijk reeds in 1911, het nut van de tuin als plaats van verpozing voor de ouderen niet over het hoofd gezien.


Reeds in die eerste tuinen werden zitbanken gezet in daarvoor speciaal beplante hoekjes, hier en daar werd een fontein geplaatst, zelfs hadden enkele bewonerscommissies geld bijeengebracht voor het plaatsen van een muziektent. In het begin was er veel belangstelling. Vooral wanneer op mooie zomeravonden een zang- of muziekgezelschap uitvoeringen kwam geven, kon er een gezellige drukte in de tuinen heersen. Langzamerhand is hierin echter verandering gekomen en de belangstelling voor de schaarse concerten is nog maar matig.
De banken staan er nog wel en de fontein wordt op warme zomerdagen nog in werking gesteld, maar de tuin wordt niet meer bezocht, de bewoners blijven liever op hun waranda van het rustige uitzicht op de tuin genieten. Wanneer de volwassenen de deur uitgaan, sluiten zij zich blijkbaar evenals de jeugd niet graag op in een aan alle kanten door huizen omgeven tuin, maar maken liever gebruik van de banken die elders van gemeentewege op de daarvoor geschikte plekjes zijn neergezet.
Men heeft ook nog wel eens op een andere manier getracht een band tussen de bewoners en de tuin te scheppen, n.l. door hen bij het onderhoud ervan in te schakelen. Vooral ook omdat velen aanvankelijk hun eigen tuintje misten, veronderstelde men dat hiervoor wel belangstelling zou bestaan. Dit viel echter op den duur niet mee: men begon geestdriftig, maar weldra liet de een na de ander zich verontschuldigen en daarna moest de tuin door een gehuurde tuinman onderhouden worden. Als kijktuin hebben deze eerste gemeenschappelijke tuinen in gesloten blokken zeer zeker hun waarde. Zij hebben de aanblik op de achterzijde der huizen verfraaid en voor de veelal verwaarloosde schuurtjes en hokken een bloemenweelde in de plaats gezet. Het ware te wensen, dat men ook nog de vele binnenterreinen die in achtertuintjes zijn verdeeld als gemeenschappelijke tuinen in zou kunnen richten. Ondanks het voorbeeld van de open tuinsteden, kan men de bewoners van de gesloten blokken met afzonderlijke achtertuinen er blijkbaar niet toe brengen gezamenlijk een gemeenschappelijke tuin te laten aanleggen. (…)


 

Openingen

Openingen

De kast, gordijnen,
kadert, beheersbaar
in ijle lijnen
een valig avondlicht.
Zonder gezicht zo
in dat platte vlak,
diepte noch beweging;
geen scherpe spiegeling,
die ‘t zijn verraadt.