Kaart # 16

L.J.
Hierbij meld ik U even, dat ik in goeden welstand alhier ben aangekomen. Ik heb mijn eerste twee uur dienst er net weer op zitten en dus ben ik nu tot negen uur vrij en ik behoef u zeker niet te schrijven, wat ik in die vrijen tijd ga doen. Ik was mooi op tijd over en kwam dus niet te laat in dienst. Nu ik schrijf aan het einde dezer week wel wat meer. Zijt dan vooreerst gegroet van je l.h. Roelof.
P.S. Doe ook de groeten aan je ouders en broers.

Wetering

De introductie van parken in de stad van toen nog de toekomst, door Haussmann, veroorzaakte ook een zekere democratisering van het gebruik van de openbare ruimte. Het denken daarover veranderde, net als het gebruik van straatmeubilair.
Daardoor komen ook ineens kinderen als kind in beeld. Een kind heeft recht (!) om te spelen. Dat vond vooral U.J. Klaren, een voorstander, ja voorvechter van speeltuinen. Hij beoogde met openbare speeltuinen een betere omgeving te creëren voor kinderen uit de lagere sociale klassen “om hen zo tot zelfbeheersing en een ferme degelijkheid te brengen”.
De eerste speeltuin van Nederland werd op 8 mei 1880 feestelijk in gebruik gesteld in het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam.

Het kan verkeren. Ruim honderdtwintig jaar later noteert Henk Spaan over het zelfde plantsoen het volgende.

«Drinkende daklozen
Naar zwervers kijk ik met gemengde gevoelens. Op een mooie voorjaarsmiddag heb ik de vaste zwervers van het Tweede Weteringplantsoen zien voetballen op het grindpad. Het ging met lawaai gepaard en veel gelach. Sommigen hadden een aardige pass in de voeten. Ik dacht: hier ga ik een filmpje van maken. Een poëtisch filmpje over voetballende daklozen met een drankprobleem.(…)
In Parijs zijn de parken voor de moeders en de kinderen. Geen zwerver die er een poot aan de grond krijgt. In Parijs wandelt er een agent door het park. Zodra een zwerver zijn fles aan de mond zet, wordt hij door de agent verwijderd. En als hij naar pis stinkt, mag hij niet in het gras liggen.(…)
Van het gedicht Nieuwe Kerkstraat door Gerrit Komrij, citeer ik de tweede helft.

Ter hoogte van Fijnstrijkerij ‘Van Buiten’
Zie je ineens een oude zwerver sjokken.
‘Het einde is nabij’, roept hij. Spuit elf.
Zijn slijm vliegt rond. Het is een enge vent.
Je weet wel wie het is. Je bent het zelf.
Toch doe je mooi alsof je hem niet kent.

De dichter geeft gestalte aan gemengde gevoelens. Sinds een paar weken is het aantal zwervers in het Tweede Weteringplantsoen verdubbeld. Dat komt omdat de bewoners aan het Eerste Weteringplantsoen zó hebben geklaagd, dat de zwervers daar niet meer mogen drinken. Nu zijn ze met zijn allen, hun zwerfhonden aan een touw, neergestreken in het Tweede Weteringplantsoen. Dat noemen ze in Amsterdam besturen. ”Ze doen toch niks?” zegt de bestuurder. Dat moet hij tegen de kinderen vertellen. Kinderen zijn bang voor zwervers, of ze iets doen of niet.
Dat de laatste toevlucht van de drinkende daklozen het voortuintje van een bierbrouwer is, zou je een ironische speling van het lot kunnen noemen.»