RLS en Skerryvore

In hetzelfde hoofdstuk als waarin Balzac een plaatsje kreeg, ook een droom van Robert Louis Stevenson.
Eerst de droom.

«Het scheen hem dat hij op de eerste verdieping was van een eenvoudige boerderij in heuvelland. De kamer waarin hij zich bevond had het aarzelend begin van een zekere voornaamheid. Er lag een tapijt op de vloer, en tegen de muuur stond een piano, geloof ik, maar ondanks deze vefraaiingen twijfelde hij er eigenlijk geen moment aan dat hij in het veen was, bij mensen uit de heuvels, middenin de uitgestrekte heidevelden. Vanuit het raam keek hij uit op de binnenplaats van de boerderij, die sporen droeg van verwaarlozing. Over de wereld lag een grote, onaangename stilte. Geen levend wezen, de bewoners van het huis noch vee waren te zien. Alleen een ruige patrijshond lag tegen de muur van het huis geleund. Hij leek te slapen. Er was iets aan de hond dat de dromer onrustig maakte. Het was een onbestemd gevoel, want het dier had geen bijzondere kenmerken, integendeel, hij was zo oud, stom, smerig en ruig dat hij eerder medelijden zou wekken, en toch kwam de dromer steeds meer tot de overtuiging dat het helemaal geen echte hond was, maar een voorportaal van de hel. Hele zwermen zomervliegen zoemden slaperig rond de binnenplaats; plotseling strekte de hond zijn voorpoot uit, ving een vlieg in zijn open klauw en stak die in zijn mond, als een aap – en ineens keek hij naar de dromer op, en knipperde met zijn ogen.»

Jazower vermeldt over RLS het volgende.
Edinburg, 13 november 1850 – Apia/Samoa, 8 december 1894.
Als kind had hij veel angstdromen, waaruit hij meestal huilend ontwaakte. Hoe ouder hij werd des te realistischer werden zijn dromen, ze hadden de “Opeenvolgende werkelijkheid van het leven”. Zijn stemming overdag werd door zijn dromen beïnvloed, hij was zwaarmoedig als hij des nachts duistere dromen had gehad. Landschappen, sommige planten doken na maanden, soms jaren weer op; in zijn dromen las hij, droomde in episoden, vaak romanachtige voorvallen, die hij dan weer in zijn vertellingen gebruiken kon. Aan zijn dromen ontleende hij drie scenes voor zijn novelle over Mr. Jekyll en Mr. Hyde en stof voor zijn novelle “Olalla”.

RLS aan zijn schrijftafel in Skerryvore
bron van de foto

Jezower geeft drie dromen van RLS weer – uit praktische overweging koos ik deze, mogelijk volgen op een later tijdstip de andere (dan zonder verdere toelichting).
RLS woonde in deze tijd in Bournemouth, in een huis dat “Skerryvore” werd genoemd, naar de hoogste vuurtoren van Schotland die door zijn oom Alan Stevenson werd gebouwd. Het huis was gekocht door zijn vader voor hem en zijn vrouw Fanny, allicht in de hoop de rusteloze zoon wat te domesticeren. Het huis werd in 1940 door Duitse bommen verwoest. Op de plek in Bournemouth is nu ter herinnering een parkje met daarin een model van de vuurtoren waarnaar het huis werd genoemd. De onderstaande tekening is overgenomen uit Scribner’s Magazine van juli 1899, daarin opgenomen als illustratie bij een reeks brieven van RLS, die toen net waren gepubliceerd. Op internet is uitvoerige documentatie te vinden over RLS, Skerryvore en diens hier genoemde werken.

De wetenschap der dromen

In de alleraardigste speelfilm La Science des Rêves (regie Michel Gondry, F/GB/I, 2006) wordt in de openingsscène meegedeeld dat dromen een “delicate combinatie zijn van complexe ingrediënten”.  Zo is het maar net.  Uit onderstaand bijgesneden fragment, de begintiteling van de film, verklap ik met genoegen alvast de laatste zin: “in dromen zijn je emoties heel sterk”. Film van harte aanbevolen.

Science_des_rêves

Benen vangen

Jazower’s hoofdstuk Dat ben jij gaat over (toen) contemporaine Duitse dichters en schrijvers.

Daaruit de droom van Franziska Gräfin zu Reventlow:
»München, 16 december 1904. Ik wilde gaan schaatsen, en plotseling was daar de Husumer slotgracht, waar iemand door het ijs was gezakt en daarin vastgevroren. Ik had hem al veel eerder willen lostrekken, en ik vroeg Orlonsky mij te helpen. Samen trokken we hem er uit, hij leefde nog, maar brak letterlijk middendoor. Wij legden hem in de slaapkamer van mijn ouders in bed, mijn vader en Bubi waren er ook bij. Zijn haren vielen uit, en de benen liepen zelfstandig in de kamer rond.  We deden nogal wat moeite om ze te vangen – eindelijk was hij weer samengevoegd en levend, hij trok zijn jas aan om daarna te gaan eten, en ik bedacht met schrik dat ik met dit waterlijk in deze omstandigheden zou moeten aanschuiven. Daarbij leek hij op Düllberg.«

En de toelichting:
Franziska Gräfin zu Reventlow (Husum, 18 mei 1871 – Muralto, Tessin 27 juli 1918) – schrijfster. Haar Verzameld Werk verscheen in 1925 bij uitgeverij Albert Langen in München.
* mijn vader: Ludwig Graf zu Reventlow was elf jaar daarvoor gestorven. In oktober van hetzelfde jaar had ze gedroomd dat ze haar vader dood in een vijver had gevonden. Hij had zelfmoord gepleegd, en hield met gestrekte arm een plakaat voor zich waarop de doodsoorzaak werd vermeld.
* Düllberg: de schijver Franz Düllberg (Berlijn, 2 mei 1873)

Over Fanny zoals haar roepnaam kennelijk luidde is veel te vinden op internet, ook de dagboeken en brieven waaruit Jazower kennelijk deze droom heeft gehaald. Ze overleed aan de gevolgen van een val van de fiets.

In haar in 1913, ook bij Albert Langen verschenen sleutelroman “Hern Dames Aufzeignungen” heeft ze onder andere haar vriend en schrijver Franz Düllberg geportetteerd.  Net als Fanny zelf vertaalde hij, en juist ook uit het Nederlands: werk van Jo van Ammers-Küller (Die Frauen der Coornvelts, zelfs herdrukt in de jaren vijftig), Theun de Vries en Herman de Man. In 1933 ondertekende hij de Gelofte van Trouw Volgelingschap aan Hitler, aldus de Duitse Wikipedia. Hij stierf een half jaar later, in mei 1934.  Allicht zal De Vries op een andere vertaling hebben aangedrongen – bij Van Ammers-Küller is dat minder zeker. Helaas tref ik geen afbeelding van D. aan bij een eerste google-verkenning.

En daar lag ik, weer mezelf

Jazower wijdt een hoofdstuk aan “het droomleven van de Chinezen”, uit de vierde, en eerste helft van de vijfde eeuw.

De droom van Tschuang-Tse staat als motto aan het begin van dat hoofdstuk:

»Ik, Tschuang-Tse, droomde eens dat ik een vlinder was, tot in het diepst van mijn wezen een heen en weer fladderende vlinder. Ik wist slechts dat ik mijn stemmingen als een vlinder beleefde, en was mij mijn menszijn onbewust. Plotseling ontwaakte ik, en daar lag ik: weer “als mezelf”. Nou weet ik het niet, was ik een mens die droomde een vlinder te zijn, of ben ik juist nu een vlinder die droomt een mens te zijn. Tussen mens en vlinder ligt een barrière. Haar overschrijden is transformatie.«

Jazower voegt aan deze droom in de toelichting het volgende toe.
De hier als motto voorgestelde droom van Tschuang-Tse is overgenomen uit het boek “Reden und Gleichnisse des Tschuang-Tse”, de Duitse keuze, van Martin Buber (Leipzig, 1910)
Een snelle blik op internet leert dat dat boek nog steeds antiquarisch is te verkrijgen. Tsuang-Tse was een voornaam taoïstisch filosoof, wiens droom van de vlinder in vele variaties nog steeds opgeld doet. Onderstaande afbeelding is van het affiche van een dansvoorstelling in de VS.

Van een heel andere orde is de  eerste ‘echte’ droom van het hoofdstuk, van Ma-Hing-Ping:

»Ma-Hing-Ping vroeg aan Keng: “Ik droomde afgelopen nacht dat bij thuiskomst de paarden dansten. Een tiental mensen probeerden ze te kalmeren, en klapten in hun handen. Wat betekent dat?”
Keng sprak: “Het paard is het vuur. Dansen is de uitbraak van vuur. Die tegen de paarden opstaan en in de handen klappen, dat zijn de brandweerlieden.”
Ping was nog niet naar huis teruggekeerd of het vuur brak uit.«

Met de volgende toelichting van Jazower.
* het paard is het vuur: het karakter “ma”, paard, bevat het veranderde karakter “ho”, vuur; (Pfizmaier, “Über einige Wundermänner Chinas”, Sitzungsberichte der Kaiserlichen Akademie für Wissenschaften, deel 85, pag 91)

Caspar Peucer

De droom, zoals beschreven door Jezower:
»Het was vooral de keurvorstin Anna die Caspar door diverse oorzaken haatte, en die had gezworen dat hij, zolang zij leefde, niet meer vrij zou komen.
In de nacht van 1 oktober 1585 droomde de gevangene dat het hele hof in een weelderige begrafenisstoet aan hem voorbij trok, en dat hij daar zelf ook in mee liep. Plotseling luidde de klok, en Peucer ontwaakte met de woorden uit een psalm: “Het koord is in tweeën, en wij zijn vrij.”
In de zelfde nacht waarin Peucer dit droomde was de keurvorstin gestorven; de profetie uit de droom met betrekkingt tot zijn gevangenschap ging echter nog niet in vervulling.
Kort daarop huwde de zestigjarige keurvorst met de dertienjarige prinses van Anhalt, dochter van vorst Joachim Ernst, die een tegenstander van overdreven orthodoxie was. Op zijn voorspraak en nog meer op die van de jonge bruid werd Peucer na twaalf jaar gevangenschap eindelijk vrijgelaten.«

Kaspar Peucer was een academicus en geneesheer die leefde van 1525-1602 – volgens Wikipedia heeft hij, als “crypto-calvinist”, tussen 1574 en 1586 gevangen gezeten in het nog steeds bestaande slot Königstein, in de buurt van Dresden. Als laatste hieronder een foto van de burcht, die er inderdaad serieus uitziet.

Nog even op Wikipedia leunend: in de Duitse afdeling staat inderdaad dat Agnes Hedwig von Anhalt op 3 Januari 1586, als dertienjarige trouwde met de keurvorst. Bijdehand als ze kennelijk was zou ze in de huwelijksnacht om de vrijlating van Caspar hebben gevraagd. Keurvorst August heeft niet lang van zijn jonge bruid kunnen houden – hij overleed op 11 februari, luttele weken na de huwelijksvoltrekking.
Het slot Königstein, een fotootje van internet (net als de beide andere):

Verijsde planeet

Isolde Kurz

De droom:
Eind februari of begin maart 1908.
Ik dwaal helemaal alleen op een verkalkte en verijsde aarde. Zover het oog reikt is alles sneeuw en gletscher, zonder grens en ononderbroken. Een andere, mij onbekende persoon, wiens geslacht mij niet eens duidelijk is, zo vreemd bleef het voor mij, voegt zich bij mij en samen zetten we de hopeloze tocht voort, zonder ons bij elkaar aan te sluiten. We glijden van een steile, diep besneeuwde hellingen af, waarbij we sturen met een staaf.
“Ach”, zegt de vreemde persoon, “nu verdwijnt ook de maan nog”. Ik kijk omhoog en aanschouw in de vale sneeuwlucht een witte schijf zonder schijnsel, en net als het me erover wil verheugen dat hij er nog is, breekt er een stuk van de schijf, die als een lap sneeuw naar beneden valt. Tegelijk verwaait ook de rest van de maanschijf in witte vlokken. Het troebele licht op de sneeuw verandert niet. Ik beleef de verijzing van de planeet. Ik voel me troosteloos. Dan opent zich de linker sneeuwwand, en mijn moeder verschijnt tot aan haar middel, en glijdt voor mij neer. (Ze leefde toen nog, maar in de droom leek het alsof ze al lang geleden was gestorven.) Het was slechts haar beeld, gevat in een tabernakelachtig kader. Ik riep haar, en strekte mijn armen naar haar uit. Het beeld strekte eveneens de armen uit, en ik ontwaakte.

Uit de toelichting van Jezower:
Van 1877 tot eind 1913 woonde Isolde Kurz in Italië. Vanaf het begin van de deelname van Italië aan de wereldoorlog had ze telkens dezelfde droom maar met verschillende afloop: ze droomde over de Italiaanse grens te sluipen, om de plaatsen terug te zien die ze in tijd van vrede zo goed kende en warvan ze zoveel hield. Het lukt de grens te overschrijden, maar ze wordt in de stad steeds weerd als Duitse herkend of op de een of andere manier verraden; het komt tot opstootjes, er volgen spannende straatscenes, de stadsbewoners achtervolgen haar.
Haar moeder stierf, 85 jaar oud, op 26 juni 1911 in München.

Van Wikipedia:
Isolde Kurz werd als tweede kind en enige dochter van schrijver en bibliothecaris Hermann Kurz en zijn vrouw Marie Kurz geboren op 21 december 1853 in Stuttgart. Marie Kurz, die uit een oud adellijk geslacht afkomstig was, verzorgde zelf het onderwijs voor haar dochter. In het voorjaar van 1859, na twee adressen binnen Stuttgart verhuisde het gezin naar Oberesslingen. Haar kindertijd daar schetste ze later als idyllisch, maar niet geheel vrij van konflikten tussen de vrijmoedige leef- en opvoedingsstijl van haar ouders en de inheemse overtuigingen van de dorpsbevolking.
Enige tijd na de dood van haar vader in 1873 verhuisde Isolde naar München, waar haar broer Erwin als kunststudent stond ingeschreven. Zij voorzag in haar onderhoud door middel van vertalingen en spraakonderricht. Van haar eerste loon liet zij op de oude begraafplaats van Tübingen een marmeren gedenkplaat voor haar vader oprichten. Een jaar later vertrok zij, samen met haar moeder en haar jongste broer, op uitnodiging van haar broer Edgar naar Italië, kort daarvoor een artspraktijk in Florence had geopend.
In Florence raakte ze bevriend met Duitstalige kunstenaars, beeldhouwers, grafici en de kunsthistoricus Burckhardt. Ze las diens “Kultur der Renaissance in Italien”, aan de “damestafel” in de Nationale Bibliotheek. Ze doorkruiste de stad met de kunstenaar Althofer, en maakte plannen om met hem een cicerone te schrijven. Na de plotselingen dood van Althofen putte ze uit het reeds verzamelde materiaal stof voor haar in 1890 gepubliceerde Florentijnse Novellen. Eerder, in 1888, had zij al een bundel gedichten uitgebracht. Ook in 1890 publiceerde ze een bundeling van eerder in tijdschriften verschenen “Spoookjes en Fantasiën”. In de badplaats Forte dei Marmi leerde ze de Italiaanse toneelspeelster Eleonora Duse en de schrijfster Gabriele d’Annunzio kennen.
Na 1905 leefde ze samen met haar moeder, die ze tot haar dood in 1911 verpleegde, afwisselend in München en Forte dei marmi. Vanaf 1911 leefde ze samen met een uit Rusland teruggekeerde jeugdvriend Ernst von Mohl, filoloog en schrijver. Hij overleed in 1928.
Isolde zelf stierf iop 6 april 1944 en werd begraven op de stadsbegraafplaats van Tübingen.

Hendrik de Vries

Droom

Nog mijm’rend vragend wat zij had gesproken
Betrad ik ‘s nachts opnieuw de trappenstraat,
In stadslicht bleek gebaad, in sneeuw verdoken.
Een venster blonk, maar nergens haar gelaat.

Beneden gleden waag’nen zonder dreuning,
Dreef murm’lend zwart van menschen af en aan.
‘t Bordes lag blank met blank-bevrachte leuning.
Door ‘t smetloos laken was geen tred gegaan.

De sleutel had het zwijgen zwak verbroken
Maar niets weerklonk in die befloerste gang.
Ik vond een kamer, heb daar licht ontstoken,
En wachtte, stom en roerloos, urenlang.

Ik zag nog achter gaas de schoorsteendaken,
De muren, soms bestreken door de maan.
Toen hoord’ik weer de sneeuw van schreden kraken.
Daar kwam zij. Wilde huivring greep mij aan.

Mijn hart verkromp, met plots-verstomd gehamer.
Ik wist mij stellig in mijn vlucht bespied.

Een spiegelwand weerkaatste gansch een kamer.
Ik schrok: Ik vond mijn eigen beelt’nis niet…
Hendrik de Vries (1896-1989)

Lataster


Frans Budé maakte gedichten bij enkele schilderijen van Ger Lataster, te zien in galerie Post+Garcia in Maastricht. De gedichten zijn opgenomen in een boekuitgave van de galerie onder de titel Een ode aan het leven zelf.
Bij de opening op 11 december 2011 droeg Budé de gedichten voor. Luister naar De Droom bij het gelijknamige schilderij uit 2010:

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

De inktvlek

Samenhang tussen een droom en een handeling.


Athur Schopenhauer:
»Uiteindelijk worden ook andere, niet heel belangrijke gebeurtenissen door mensen vooruit gedroomd,  waarvan ik mijzelf ondubbelzinnig heb kunnen overtuigen. Ik wil het hier meedelen, omdat het de strenge noodzaak van alle gebeurtenissen, zelfs de allertoevalligste, in een helder licht plaatst.


Op een morgen schreef ik met grote ijver een lange, en voor mij belangrijke Engelstalige zakelijke brief. Zodra ik met de derde pagina klaar was, greep ik, in plaats van het potje met zand, de inktpot en goot dat over de brief uit: het drupte van de schrijftafel op de vloer. De op mijn gebel toegesnelde dienstbode haalde gauw een emmer water om zo de vlek te kunnen wegboenen, opdat de inkt niet in het hout zou dringen. Terwijl ze hiermee bezig was zei ze: “vannacht heb ik gedroomd dat ik hier deze inktvlek aan het wegboenen was”. Waarop ik: “nee toch!” Zij weer: “het is echt waar, en ik heb het zelfs aan de meid,  met wie ik de kamer deel, na het ontwaken verteld.” Toevallig kwam op dat moment die zeventienjarige meid de kamer binnen om de dienstbode te halen. Ik liep direct op haar toe en vroeg “wat heeft zij daar afgelopen nacht gedroomd?”. Antwoord “dat weet ik niet”.  Ik, opnieuw, “Jawel, dat heeft zij je bij het wakker worden toch verteld”. De jonge meid: “Ach ja, ze heeft gedroomd dat ze hier deze intvlek op de vloer aan het boenen was”.

Dit verhaal, voor de waarheid waarvan ik absoluut insta, die theorematische dromen* buiten elke twijfel plaatst, is juist daardoor bijzonder omdat het vooruit gedroomde een handeling betreft die men onwillekeurig noemen kan omdat die zich volstrekt tegen  mijn wil voltrok, en afhankelijk was van een minieme fout van mijn hand: niettemin was deze handeling volkomen noodzakelijk en onvermijdelijk voorbestemd, omdat de werking ervan uren voordien als droom in het bewustzijn van iemand anders ontstond. Hier ziet men zo duidelijk de essentie van mijn opvatting: alles wat gebeurt, gebeurt noodzakelijk.«

*aan de vertaling van “theorematisch”  waag ik mij niet

Bezweren

»Rond mijn vijftiende word ik bezocht door dromen waarin ballonachtige letters en cijfers zich tot immense proporties opblazen en mij proberen te verpletteren of te verstikken. Dan word ik wakker. Ik noteer reeksen cijfers en maak rituele berekeningen die wetmatigheden en ‘iets verborgens’ aan het licht moeten brengen. Uren breng ik zoek met het optellen en vermenigvuldigen van cijfer-combinaties, geboortedata en getalswaarden die ik aan letters geef. Ik ben soms bang om gek te worden als ik die tellingen niet uitvoer. Misschien zijn het de cijfers en letters zelf die me teisteren. Ik moet iets bezweren, een of andere paniek, maar niemand zal iets aan mij merken. Hier helpen dokters niet. Slaapdronken hoor ik in het donker van een winterochtend een zacht koor van engelachtige stemmen uit de wasbak opklinken.«
uit: Wanda Reisel – Plattegrond van een jeugd (Amsterdam, Contact, 2010)