Toch niet verloren raken

Het leukste aan een droom is dat hij overgaat in de werkelijkheid. Dat laat ons meestal niet onverschillig. Er kan opluchting zijn. Of weemoed, het eindeloze verlangen naar meer. De inspiratie: ik las over een Schotse uitvinder die zittend sliep, met een zware bal in zijn hand. Als de bal viel, werd hij wakker, noteerde hij zijn droom (zijn uitvindingen heeft mijn geheugen niet meer opgediept). Of een ander overgeleverd verhaal. Die héél bijzondere, ja superieure droom. De dromer schreef het, slaapdronken nog, middenin de nacht op op een stukje papier dat toevallig onder handbereik lag. In de vaste wetenschap dat bij ontwaken zich een ware revolutie zou ontvouwen, viel hij onmiddellijk weer in slaap. Toen hij wakker werd herinnerde hij zich het nachtelijk avontuur, graaide op het nachtkastje, vond het papiertje en las deze woorden: “klein vogeltje”.
Maar soms vertaalt de droom zich wel degelijk profijtelijk in de werkelijkheid. Al was het in de kunsten: Picasso’s Le Rêve hoort nu tot de duurst geveilde schilderijen ooit. Of, van een heel wat poëtischer orde: Oblomov’s droom – die “als in een echte droom, [de lezer] voorziet van een onverwachte, interessante, in de grond intuïtieve informatie, die iets van de diepere betekenis van de dagelijkse gebeurtenissen [in het boek] verheldert”. *1

In de zomer van 2011 zendt de BBC-televisie een aardige reeks uit rond de vraag naar de echtheid van kunstwerken onder de titel Fake or Fortune. Eén uitzending *2 werd gewijd aan Han van Meegeren. De meestervervalser die in het midden van de 2Oe eeuw heel wat kunst-ego’s aan het wankelen bracht met zijn voorstelling van de Emmausgangers door Vermeer. In de uitzending heet het dat Van Meegeren “dreamed up” de voorstelling, een fraaie uitdrukking voor al het werk dat vooraf ging aan die ene fout, het plaatsen van het signatuur van Vermeer (in werkelijkheid herinnerde Van Meegeren zich een tafereel uit zijn jeugd, op een mooie zomeravond uit logeren bij een oom, toen hij de slaap niet kon vatten. Hij wandelde in de tuin, keek door het raam naar binnen en zag zijn oom met een aantal gasten om tafel zitten, in een configuratie die uiteindelijk tot de Emmausgangers zou leiden.) *3

Van herinnering naar fantasie. Voor de droom is de herinnering vitaal. Geheugen-expert en hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie Douwe Draaisma doet er in zijn Vergeetboek nog een schepje bovenop, door de filosoof Dennet aan te halen. In een experiment wordt een niet bestaande droom gereconstrueerd. Een proefpersoon moet door het stellen van ja-nee vragen proberen een droom te achterhalen bij een gezelschap mensen. Echter, er is geen droom; als de laatste letter van de vraag in de eerste helft van het alfabet valt, is het antwoord bevestigend, anders ontkennend. Er komen overtuigende dromen uit voort. Dennet noemt, aldus Draaisma, dit “gezelschapsspel” psycho-analyse.

Het hoge woord is er uit: Freud. Pas door het grote belang dat de grondlegger van de psycho-analyse aan dromen hechtte, zijn dromen een flinke tijd ontdaan geworden van het aureool van plezierige of angstaanjagende nonsens dat ze voordien toch óók vaak hadden. Dromen kregen ineens zin, en betekenis. En hebben intussen, een goede eeuw en héél veel wetenschappelijk onderzoek later, wel weer flink aan die gloed ingeboet. Het lijkt dat een dagelijkse meditatie die zich over meer jaren uitstrekt even heilzaam is voor een gezond geestelijk leven als een even langdurige analyse.
Ook Jung heeft zich -en dat begon al in de tijd van de samenwerking met Freud- intensief met dromen bezig gehouden, en in artikelen de praktische bruikbaarheid van dromen in de behandeling van neurosen aangetoond. Toch zijn ook bij Jung fraaie staaltjes van behoorlijk vergezocht redeneren te vinden. Dat leidt soms wel tot bijzondere conclusies als die welke zijn weergegeven in -bijvoorbeeld- de getallensymboliek: een dromer herinnert zich uit de droom een getal. Dat getal leidt tot associaties bij de patiënt die terugvoeren naar een willekeurig aantal geboortedata van gezins- en familieleden. De uiteindelijke som van cijfers in die data komt overeen met het getal uit de droom – waaruit wordt geconcludeerd dat de dromer erg hecht aan zijn gezin, maar ook verliefd is. Ik vat het wat ruw samen. *4

Nee, dan Draaisma – met een nuchterheid die zijn geboortegrond eer doet: »Zelfs al zouden de losse elementen in een droom op toevalsontladingen berusten, dan hoeven verloop en beleving van de droom nog niet betekenisloos te zijn. Misschien is het tegendeel wel waar en geeft juist de wijze waarop iemand orde probeert op te leggen aan chaos, inzicht in wat hij denkt, vreest en verlangt. Dit ene verhaal kan betekenis hebben omdat uit dezelfde draden zoveel verschillende patronen geweven kunnen worden.« *5 Waarmee hij impliceert dat de droom volstrekt multi-interpretabel is, hetgeen ik graag onderschrijf.

Behalve natuurlijk voor de goede verstaander.

Het schitterende

… En met de geur van water in de schaduw, een groene.
Ik kantelde de bemoste stenen om
de zilvervisjes weg te zien glibberen.
Het was een droom over het plezier van het omkeren,
die wetenschap dat je van alle kanten …
en dan toch niet verloren raken!
De vrijheid om vanuit elk opzicht het uitzicht …
Zoals dieren ruiken dat het gaat regenen, terwijl
de lucht nog blauw is. Ja
dat moest ik beter begrijpen.
Ook de wolken behoren tot het landschap
Niet altijd denken dat omhoog kijken meteen
het zwaard naar beneden laat suizen.

Het was een droom over kristalhelderheid,
waarin ik mijn eigen bewegingen zag,
die ik maaakte in slaap.
Een slaapvattend mij.
Eerst een slaapdronken ademen en dan
het kneden van droom door hersens
om met veel zuurstof wakker te worden.

Uit bed gesprongen om vlug in de spiegel
te zien wat er in zat die dag.
De zilvervisjes, die van onder uit de slaap
naar boven waren geschoten door mijn gezicht
en zich hadden verborgen in de schaduw bij de mond
de ogen de haargrens.
Ik telde mijn geld
en liep in de dag
met een zilvergezicht.

Elma van Haren *6

De droom die overgaat in de werkelijkheid.

Op een rommelmarkt kocht ik begin dit jaar Das Buch der Träume, door Ignaz Jezower *7.

Dat begint zo: »Uit het isolement, waarin wij de dingen door onderscheid plaatsen, uit de starheid waarin we ze verbannen, bevrijden we hen weer in onze droombeschouwing. Niet meer aan vorm gebonden en niet meer door eigenschappen belast, waardoor ze juist hun klassifikatie verwierven, verschijnen ze ons nu in de willekeur van hun anders-zijn, nog steeds als dingen, wier bijzonderheid wij bij waken door specifieke functies aan banden legden. Ondanks die verandering is een boom nog een boom, ook wanneer de boom kan praten, is een tafel nog een tafel, ook als hij door de straten wandelt, en een mens houdt niet op mens te zijn als er vleugels uit zijn schouderbladen groeien, zijn voeten tijgerklauwen blijken; het wezen van een voorwerp wordt door zijn tegendeel niet opgeheven, een wezen door zijn polariteit niet verontreinigd.«

De werkelijkheid die zichzelf bevrijdt in de droom – eigenlijk even aangenaam als het omgekeerde.

Het vorenstaande dient als opstapje naar een reeks citaten uit het boek van Jezower. Het boek bevat twee delen, het eerste een overzicht van overgeleverde dromen uit de wereldgeschiedenis, het tweede deel een interpretatie ervan, gelardeerd met wat biografische gegevens over de dromer. De dromen zijn opgedeeld in verschillende hoofdstukken, bijvoorbeeld historische perioden als “de tijd van de aartsvaders” of “dromen in de wereldoorlog”, thema’s, “intellectuele prestaties in dromen” of naar het beroep van de dromer “dromen van filosofen”, dromen van geleerden”.
Voor de dromen is op deze webbladzijden een aparte gelijknamige rubriek waarin ze samen ineens zijn te lezen.

Als voorproefje een eerste droom, geheel willekeurig gekozen naar de bladzijde waar ik het boek opensloeg. Uit het hoofdstuk Dromen van Geleerden,
Franz von Paula Gruithuisen: “(…) Een andere keer droomde ik dat ik in mijn bibliotheek, die echter in Slot Haltenberg in een grote kamer was gelokaliserd, naar de Adagia van Erasmus van Rotterdam zocht, maar ik kon het boek niet vinden. Doordat ik echter wist hoe de band er uitzag, stond ik naar de ruggen van de boeken te kijken, die door helder zonlicht werden beschenen – ik keek van links naar rechts. Ik rekte mij uit en daarop schenen de boeken gedurende enkele seconden, als in een kijkdoos, zelf van links naar rechts te wandelen.”
De volgende toelichting. “Franz Paula von Gruithuisen (19-03-1774 ~ 21-06-1852); schrijver van natuurwetenschappelijke werken, professor in de astronomie aan de universiteit van München. Slot Haltenberg ligt in Beieren, waar Gruithuisen werd geboren. De adagia van Erasmus van Rotterdam zijn een verzameling van Griekse en Latijnse spreuken, door Erasmus van commentaar voorzien.”

Wellicht niet de allerspannendste droom voor een eerste voorbeeld, maar een bibliotheek in een droom is voor mij immer een geslaagd beeld.

*-*-*-*
*1 Maria Kardaun, Interpreting the Dream of Oblomov; in: Self & Society, vol 23 #3, July 1995
*2 uitzending van 3 juli 2011
*3 De plaat met de dubbele afbeelding is afgebeeld in “Emmaus” van Marie Louise Doudart de la Grée [Utrecht, Bruna, zj.]
*4 C.G. Jung, Dromen; Rotterdam, Lemniscaat, 2e druk 1989, pp 19-21
*5 Douwe Draaisma, Vergeetboek; Groningen, Historische Uitgeverij, 2010 – pp 39-64: Waarom we dromen vergeten
*6 uit: Zeehond graag, Amsterdam, Van Oorschot, 2000
*7 Berlin, Ernst Rohwolt Verlag, 1928

Een betekenisvolle scheur

Een hoofdstuk uit “Das Buch der Träume” gaat over dromen uit de tijd van de romantiek. Het hoofdstuk draagt het volgende motto van Novalis.

»Is niet iedere, zelfs de meest verwarde, droom, een uitzonderlijke verschijning die ook, zonder nog maar aan een goddelijke lotsbestemming te denken, een betekenisvolle scheur is in het gordijn dat met duizend plooien over ons innerlijk leven hangt?«

De eerste droom in dit hoofdstuk  is van Sophie Brentano:
“Ik droom vaak over jou, zonder echt aan jou te denken; maar misschien is dit wel het meeste wezenlijke, diepste denken. Bijna altijd zie ik jou met mooie vrouwen, waarmee je zeer interessante kleine romances beleeft. Twee waren bijzonder levendig. De ene heette Jeanette, ze was een avonturierster, een mooie zondares, waar jij zo van houdt. Ze was bij je in tal van vermommingen, en jij probeerde ze voor mij geheim te houden, tot ik het eindelijk ontdekte, en ik door jouw valsheid het huis uitliep. De tweede was een mooie, kokette vrouw uit mijn vroegere kennissenkring. Ze was erg teder naar jou, je ging de hele nacht met haar uit wandelen, en ‘s morgens hadden jullie het ontbijt in een mooie tuin, waar een klein meisje mij jullie aanwezigheid verklapte en mij heimelijk naar jullie leidde. Ik zag jullie zitten. Jij leek kil en verstrooid, maar ik wist niet wat je dacht, wat mij zeer ergerde, omdat ik toch in dit spel deelnemer en toeschouwer tegelijk was.”

Uit de verklaring:
Voor de Romantici waren dromen de dauw die onder de zon van de realitiet verdorde en verschroeide zielen opfristen en bezig hielden. In dromen vonden de Romantici een hogere vorm van de werkelijkheid. “Een droom verbreekt onze banden”, verklaart Novalis. “Een Goddelijk brouwsel”, broedend boven de diepten van de droomchaos. Als het licht hier de dingen omglanst, uit de duisternis tilt, verschijnt ze zuiver, als bij de schepping en in volkomen helderheid. En de gevoelens waarmee men zich aan deze dingen overgaf waren oorspronkelijk, “stegen tot ongekende hoogten”, in paradijselijke verrukking maar ook als helse pijnen. Alle gevoelens werpen zich in dromen, zo meent Jean Paul, “hoge golven vloeien in het hele hart.” En Tieck: “Alles dat we wakend van pijn en ontroering weten is slechts kil te noemen in vergelijk met de tranen die we in dromen plengen, tegenover elke hartklop die we in de slaap ondergaan. Dan is de laatste verharding van ons wezen gesmolten, en de ganse ziel vloeit in de golven van het verdriet.”
Veel meer dan ervaringen in wakende toestand ontvouwden dromen, volgen de Romantici een kosmische verbondenheid. Door dromen ondervonden ze dat er een “directe uitwisseling met voorwerpen mogelijk is”, dat alleen de dag zaken vervreemdt, maar de droom hun vreemdheid opheft en hun eenheid weer herstelt. “Ontdekkers van het onbewuste”, zo noemde Ricardah Huch de Romantici terecht. Ze stelden de droom boven de waak-ervaringen, leefden zich uit in de droomwereld, en ervoeren in haar de verdieping van hun levensgevoel. Dat maakt ook de wens begrijpelijk die Jean Paul ooit verwoordde: “Ik wilde dat ik tenminste muziek, liefde, landschappen, schoonheid, ja eigenlijk elke vreugde in mijn dromen kon genieten, in plaats van in wakende toestand. Want de droom is, zoals hij in de verhandeling “Over de natuurlijke magie van de verbeeldingskracht” schreef: “het Tempe-dal  en moederland van de fantasie”. Het is de canon van de poëzie. In geen enkele poëzie vindt men zoveel droom-vertellingen, zoveel uitspraken over dromen als in die uit de Romantiek. Philipp Lersch, die in het lezenswaardige geschrift “Der Traum in der deutschen Romantik”,  (München, 1923), beschrijft hoe in het leven en de poëzie van de Romantici de droom tot een romantisch probleem werd gemaakt, wees op de frequentie waarmee “het woord droom in de werken van de Romantici” voorkomt. In ‘Heinrich von Ofterdingen’ bijvoorbeeld, de varianten meegerekend, meer dan zeventig keer.
De Romantici hebben in hun literatuur dromen zo fantasievol en kleurrijk uitgewerkt dat de berichten over hun werkelijke dromen daartegen maar vaal afstaken.

Tot zover de introductie van het hoofdstuk over romantiek & dromen.

Over Sophie Brentano (*Altenburg, 28 maart 1770 – Heidelberg, 31 oktober 1806) geeft Das Buch der Träume het volgende.
Geboren Schubart. Haar huwelijk met de universiteitsprofessor Mereau werd in juli 1801 door een commissie onder voorzitterschap van Herder ontbonden; op 29 november 1803 huwde zij Clemens Brentano.
Hij was 8 jaar jonger dan zij, onderhevig aan “onrust” en wisselende stemmingen, en hij beschouwde Sophie soms “Himmelhoch jauchzend” als een engel, dan weer “zum Tode betrübt” als een ware duivelin.
Sophie en Clemens waren in hun huwelijk, zoals Achim von Armin schrijft, te vergelijken met twee orgelspelers, “die beide graag willen spelen, maar de ene krijgt dan ineens, als de ander al met spelen is begonnen, zin om de pijpen te gaan poetsen en te stemmen. Dan maken ze aanmerkingen op elkaar, dat de een de noten vals laat klinken en de ander dat er veel te veel onbeschaamd tussenin klinken.” Clemens was bang dat het huwelijk zijn krachten zou verzwakken, dat hij af zou stompen en trager worden, “en dat overkomt mij, mij die alles zo hartverscheurend ondergaat”, klaagde hij begin oktober 1804. Hij verlangde naar avontuur, verwachtte dat reizen hem zou opfleuren en dat zijn vriend Arnim hem zou troosten en opbeuren. Hij vertrok naar Armin, in Berlijn; maar eenmaal onderweg overviel hem het hevig verlangen naar Sophie, hij wilde eigenlijk terugkeren, maar was tegelijk bevreesd zich in de ogen van Armin belachelijk te maken. “De aarde heeft vast geen groter Don Quichot dan jij moeten dragen”, antwoordde Sophie op zijn jammerklacht.
Op reis moest hij er aan denken dat jaren eerder, Sophie, die toen nog met Mereau getrouwd was, met een geliefde de zelfde weg naar Berlijn gegaan was, onderweg met hem in één kamer geslapen had. Terwijl gevoelens van jaloezie hem pijnigen – “het lijkt alsof je mij zou kunnen bedriegen”, schreef hij haar op 9 november – droomt zij thuis vaker dat hij háár ontrouw is, en met mooie vrouwen kleine romances beleeft.
Hij verzekert haar dat dat wat zij over hem droomt niet aan de hand is: “Weliswaar ontmoet ik vele vrouwen, maar die vallen allen bij jou in de schaduw, ik zou niemand dan jij, mijn begeerde, willen kussen, of aan mijn hart drukken – dat gevoel is zo oneindig groot, dat ik niets anders kan waarnemen.”
Maar zo veel schaduw werpt Sophie toch ook weer niet, want Clemens schrijft, nadat hij uit Berlijn vertok aan Armin: “En groet vooral Pistor [*] van mij. Zeg haar dat als ik in mijn vrouw niet minstens één kwart terug vindt van wat ik bij Pistor vond, dan keerde ik terug naar haar kelder om in de verboden appel te bijten.” (26 december 1804). In een andere brief wenst hij dat zij “een minnaar krijgt die liefdevoller is dan ik”, waarop Armin antwoordt “Als ik Pistor alles had gegeven wat jij mij vroeg, wie weet hoe ongelukkig ze daarmee zou zijn! Je schrijft haar meer fraais dan je haar ooit rechtstreeks tegen haar zei.” En enkele weken later laat hij Lotte Pistor, via Armin weten, dat hij van haar heeft gedroomd en dat hij haar hand kuste. (brief van 15 februari 1805)
Sophie was toen zwanger; haar tweede kind werd in mei 1805 geboren, maar leefde, evenmin als haar eerste, niet lang. Bij de geboorte van het derde kind stierf Sophie. “Leeft mijn kind?”, waren haar laatste woorden. Binnen tien maanden hertrouwde Clemens, met Auguste Busmann.

Op internet ciruleert het onderstaande portret van Sophie. In 2006 is er bij gelegenheid van haar sterfdag zelfs een heuse wetenschappelijke conferentie aan haar werk gewijd. Door haar opvattingen, vriendenkring en schrijfvaardigheid is ze ruim tweehonderd jaar na haar dood nog steeds van academische interesse. Haar werk is -in het Duits- verkijgbaar in twee pocket-boeken.

~*~*~

[*] waarschijnlijk wordt bedoeld de echtgenote van de Berlijnse  instrumentenbouwer Karl Pistor (1778 – 1847), die er zelf ook nogal ruimhartige opvattingen over huwelijkstrouw op nahield – hij erkende zes kinderen die hij bij zijn maitresse verwekte (en Lotte zelf kreeg er vier met hem).

Tranen op de kaken

Ontwaken

Ik droomde – een droom vol tegenstrijdigheden,
Half licht, half duisternis, half waar, half waan,
Nu Profecij, dan Echo van ’t verleden,
Vaak beide in eens, en immer – half verstaan.

’k Greep schimmen, die mij door de vingren gleden;
Ik vloog, of kroop, maar niets werd afgedaan;
’k Heb in één uur genoten en geleden,
Heel ’t bonte lot eens Levens ondergaan.

Daar blonk de dag – de onzichtbre banden braken!
’k Rees op, nog met de tranen op de kaken,
En glimlachte om mijn dwaze hersenschim.

En ’k juichte: “o God, als aan de levenskim
De morgen Uwer heerlijkheid zal blaken,
Wat glimlach zal dàt wezen bij ’t ontwaken!”

J.J.L. ten Kate (1819-1889)

De wetenschapper

Door het boek van Jezower toch in het Duitse taalgebied, kan er wel even wat actueels tussendoor. Die Zeit, een Duits weekblad, heeft in het nummer van 4 augustus 2011 dromen prominent op de voorpagina, met een plaatje door de opmaakredacteur en de marketing-afdeling allicht als een succesvol verbond beschouwd. Het verwijst naar enkele pagina’s in de wetenschapssectie. Op de website van Die Zeit is een interview opgenomen met Ursula Voss, een psychologe van de universiteit van Bonn, die onderzoek doet naar dromen. Hieronder een vertaling van de tekst van de website. Vraag (door Die Zeit) en antwoord zijn respectievelijk weergegeven als Z en V.

Z: Volgens een wijdverbreide voorstelling, zijn dromen nauw verbonden en verweven met het dagelijks leven. Klopt dat?
V: Zo langzamerhand ben ik daar sceptisch over geworden. In het kader van een studie hebben we onderzocht of en hoe dromen van lichamelijk gehandicapten en niet-gehandicapte mensen zich van elkaar onderscheiden. Vijftig proefpersoenen hielden een droomdagboek bij. Vier van hen waren vanaf de geboorte verlamd, tien doofstom en zesendertig niet gehandicapt.
Z: En?
V: Het was verbluffend. Mensen die in de werkelijkheid nog nooit iets hadden kunnen horen, droomden bij voorbeeld van de klanken van een vioolconcert. Verlamden konden in hun droom lopen, doofstommen horen en spreken. In enkele dromen waren mensen op een rolstoel aangewezen, maar dat waren dromen van niet-gehandicapten. Ook doofstomheid speelde af en toe een rol, maar niet bij de doofstomme proefpersonen. Een centraal onderdeel van het werkelijke leven van gehandicapten, hun handicap, kwam in hun dromen niet voor. Anders gezegd, wat de mens droomt zegt bijzonder weinig over hemzelf.
Z: Is dat dan compensatie, waarbij gehandicapten hun verlangen naar het vrij kunnen bewegen, naar spraak of naar horen in hun fantasie uitleven?
V: Sigmund Freud beweerde al dat de plaatsvervangende bevrediging van verlangens een centrale functie is van dromen. Als dat daadwerkelijk zo zou zijn, zouden gehandicapten opmerkelijk veel dromen dat ze geen handicap zouden hebben. Maar dat lijkt niet aan de hand te zijn. Het vermogen te kunnen lopen, horen of spreken speelde in de dromen van gehandicapten geen zwaarwegender rol dan in die van niet-gehandicapten. Zoals wij er tegen aan kijken gaat het bij dromen dus niet om de vervulling van verlangens.
Z: Wie vanaf zijn geboorte gehandicapt is, ondervindt dat wellicht als normaal, waardoor er in de droom aldus niets meer te verwerken is.
V: Dat kan ik niet volledig uitsluiten. Al onze proefpersonen met een handicap benadrukten in de voorgesprekken echter dat zij hun handicap als een last ervoeren, en er naar verlangden niet gehandicapt te zijn.
Z: Als we dromen zouden onze meest geheime wensen -symbolisch versleuteld- zichtbaar worden. Misschien was u niet in staat die symbolen voldoende te ontcijferen.
V: Onder de vier wetenschappers die de droomprotokollen onderzochten was ook een psycho-analytica, die zich in haar therapeutische werk baseert op de theorieën van Freud. Ook zij kon niet herkennen welke dromen van gehandicapten waren. Haar score was zelfs lager dan die van de drie anderen: een gedragstherapeut, een gesprekstherapeut en een fysicus zonder een psychologische opleiding.
Z: Veel hersenonderzoekers vinden dromen op een soort onweer van de zenuwen lijken, dat zich toevallig en zonder diepere bedoeling voltrekt.
V: Daar ben ik ook sceptisch over. Dromen kunnen uiterst verschillend zijn. Een faktor van belang lijkt mij in hoeverre de frontaalkwab, een deel van de hersenen in het voorhoofd dat in wakende toestand een belangrijke rol speel bij het nemen van rationele beslissingen, geactiveerd wordt. Veel dromen lijken naar mijn inzicht op een niet opgeruimde kamer, waarin kinderen hun speelgoed uit kasten en kisten laten rondslingeren. Vaak mengt de frontaalkwab zich in de droom als een strenge moeder, en probeert orde te scheppen. Dat zijn tenminste de voorlopige uitkomsten van ons jongste onderzoek, dat interventies van de frontaalkwab veel dromen begrijpelijk en zinvol maken.
Z: Dan hebben dus afzonderlijke dromen wel degelijk een boodschap, zoals de psychoanalytici beweren?
V: Zo ver wil ik niet gaan, Ik denk dat dromen een vorm van creatief denken is. In deze bijzondere bewustzijnstoestand beleven we thema’s en gevoelens in een nieuwe samenhang, en maken ons los van vaste patronen. Juist wanneer de frontalkwab actief is heeft men in dromen vaak associaties in relatie met zekere vragen, waaraan je ook na het ontwaken nog wat hebt. Dromen kunnen zo een bron van inspiratie zijn.
Z: Paul McCartney beweert dat hij de melodie van de Beatles wereldhit Yesterday in het midden van de jaren zestig, heeft gedroomd.
V: Juist. Zelf heb ik zulke spectaculaire ingevingen in dromen wesliswaar nog niet gehad, maar ik houd het zeker voor mogelijk.
Z: Zijn dromen dan een motor voor de culturele ontwikkeling van de mens?
V: Dat lijkt me wat te veel van het goede. Al was het maar omdat dieren ook dromen. Bij zoogdieren hebben neurowetenschappers de zogenaamde REM-slaap kunnen vaststellen, een slaapfase waarbij de mens bijzonder intensief droomt. Bij honden zijn tijdens de REM-slaap de zelfde hersengebieden actief als die bij ons, waneer we dromen. Onafhankelijk daarvan kun je bij honden of katten vaak genoeg waarnemen hoe ze tijdens hun slaap met de poten bewegen, geluiden maken, net alsof ze een slechte droom hebben.
Z: Hebben veel mensen nachtmerries?
V: Negatieve emoties komen vaker voor dan positieve. Dat is een biologisch gedetermineerd feit, zowel in de droom als in waaktoestand. De Amygdala, een deel van de hersenen dat een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van emoties, is bij een gevoel van vreugde doorgaans minder sterk geactiveerd dan bij angst, boosheid of ergernis. Negatieve gevoelens komen dus niet alleen vaker voor, maar zijn ok intensiever. Gemeen hè.
Z: Sinds Freud is het verdacht wanneer iemand van zucchini droomt. Immers, “Het mannelijk lid wordt symbolisch vervangen door voorwerpen die in de vorm vergelijkbaar zijn.”
V: Ik heb in het kader van wetenschappelijke studies meer dan duizend dromen van proefpersonen onderzocht. Het mannelijk lid kwam daarin bijna nooit voor. Ook niet in een symbolische vermomming, als zucchini, een agurk, een potlood of een ander lang object.
Z: Speelt sex geen rol?
V: Zeker wel. Maar zelden. Ik zou zeggen in één op elke honderd dromen. Veel proefpersonen droomden dat ze met iemand sliepen. Ze konden hun partner meestal slecht beschrijven. Droomfiguren hebben, zoals we vaststelden, bijna nooit een goed herkenbaar gezicht.
Z: Kunt u zelf uw dromen vaak herinneren?
V: Elke ochtend.
Z: Echt? Hoe doet u dat?
V: Er is een truukje voor: bij het ontwaken zijn dromen uitsluitend in het werkgeheugen actief, een geheugen met maar weinig capaciteit, waarvan de inhoud snel kan worden overschreven. Daarom moet je je ‘s ochtends zoveel mogelijk afschermen van zintuigelijke indrukken, dus de ogen gesloten houden en niet bewegen. Dan kun je proberen dat wat je hebt gedroomd nog een keer de revue te laten passeren, de droom als het ware te vangen. Anders is hij weg.

Dit is de link naar het artikel.

I wish we had stayed right there

In dreams we do so many things
We set aside the rules we know
And fly above the world so high
In great and shining rings

If only we could always live in dreams
If only we could make of life
What, in dreams, it seems

But in the real world
We must say real goodbyes
No matter if the love will live
It will never die

In the real world
There are things that we can’t change
And endings come to us
In ways that we can’t rearrange

I love you, and you love me
But sometimes we must let it be
In the real world
In the real world

When we were dreaming heart to heart
I wish that we had stayed right there
For when the dreamers do awake
The dreams do disappear

If only we could only live in dreams
If only we could make of life
What, in dreams, it seems

But in the real world
There are things that we can’t change
And endings come to us
In ways that we can’t rearrange

I love you, and you love me
But sometimes we must let it be
In the real world
In the real world

Roy Orbison
op het album “Mystery Girl”

 

Ein umgetriebener Phantast

In de sectie Romantiek, in het boek van Jezower, ook Johann Arnold Kanne.

Eerst zijn droom:
«Ik droomde op een nacht dat ik terug in mijn geboortestad was, en ik liep achter de Alexandersburg de zogenoemde Papenberg op. Terwijl ik daar zo langzaam, rustig en vrolijk voortging, voelde ik me ineens naar de kant getrokken, naar een ommuurde bron waar stenen treden in af liepen. Ik daalde af en zag water, zo helder en etherisch als de lucht. Zonder enige nadere associatie vroeg ik meteen aan de bron: “Zal ik gelukkig zijn?” En de bron antwoordde met heldere, milde stem “Dat hangt helemaal van je zelf af.” Meteen hierna klom ik weer uit de bron, werd wakker, en het was me zo wonderlijk licht te moede.»

En over hem:

Johann Arnold Kanne (Detmold, mei 1773  ~  Erlangen, 17 december 1824)
Natuurfilosoof uit de tijd der romantiek, die na allerlei avonturen -vrienden moesten hem uit de Oostenrijks militaire dienst uitkopen- en na veel innerlijke strijd een dogmatisch christen werd, en het principe van een absolute autoriteit van een absolute kerk huldigde.
Ten tijde van zijn zwaarste zielskonflikten had Kanne deze droom, die de ommekeer in zijn leven tot gevolg had.

Op zoek naar een portret van Kanne, stuitte ik op een artikel van Jan Noordegraaf (VU, Amsterdam), over “Willem Bilderdijk en de taalwetenschap – een Nederlandse linguïst tussen twee werelden”.
Bilderdijk is een oude liefde van mij – ik bezit zijn Verhandeling over de Geslachten der Naamwoorden in de Nederduitsche Taal in tweede druk uit 1828.
Maar terug naar Noordegraaf, die ingaat op de oorsprong van de etymologie zoals door Bilderdijk en Jacob Grimm bedreven. Noordegraaf ziet wel overeenkomsten in benadering tussen Bilderdijk en Grimm, als beoefenaren van de “wilde filologie” (en een middagje met Bilderdijk’s etymologie op de bank, wekt zo niet bewondering voor diens wildheid, dan toch voor zijn creativiteit). In dat kader wordt Grimm aangehaald die Johan Arnold Kanne (hier met sterfdatum in 1834) bestempelt als “ein umgetriebener Phantast”. Ik waag me even niet aan de vertaling dáárvan (en probeert u vooral Google-translator, immer goed voor een warme grijns).

Honing

De film Bal (Honing) van de Turkse regisseur Semih Kaplanoglu won in 2010 een Gouden Beer. Hieronder het fragment, waarin de vader tegen zijn zoontje zegt “dromen niet rond te vertellen”.

Honing

Hemels licht en glans

Een ander hoofdstuk van Jezower is getiteld ‘Maskerade – van Andersen tot Strindberg’, zonder verdere uitleg van de ‘maskerade’.

Een droom van Balzac, in dat hoofdstuk.
“Aan Eva Hanska. Passy, 1 juni 1841.
Deze nacht, lieve grafin, heb ik u zo duidelijk en tastbaar in een droom gezien dat ik u, net als ik in de fabel van de twee vrienden, meteen schrijf. Ik ontwaakte bepaald verschrikt, omdat ik u zo duidelijk had gezien, ik sliep weer in en las daarna een lieve, lange brief van U. U was geenszins veranderd, waarover ik verrukt was. U was veraf en nabij tegelijk, maar ik had geen gelegenheid U de hand te drukken.
Misschien kwam de droom doordat ik over u sprak toen ik de avond ervoor met een Rus bij de dochter van de overleden Prins Kazlowski was, een zekere juffrouw Rzewuski, die met ons in Wenen is geweest, en die mij wilde aantonen dat U niet mooi bent (zelf is ze afschuwelijk). Of is er uiteindelijk een brief van U aan mij onderweg? Het ging net zo met mevrouw B., telkens wanneer ik haar schreef droomde ze over de brief. En de herinnering daaraan stemde me ineens bedroefd, terwijl ik aan mijn schriftafel zat, voor ik aan U schreef.”

 

En uit de toelichting bij de droom:

“Honoré de Balzac (Tours, 20 mei 1799 ~ Parijs 18 augustus 1850).
Balzac maakte kennis met Eva Hanska in de herfst van 1833, in Neuchâtel. Daarvoor hadden ze met elkaar gecorrespondeerd, en de verbeelding van de schrijver was ontvlamd, zijn nieuwsgierigheid gewekt en meteen bij hun erste samenzijn ontwikkelde zich een dweepzieke hartstocht. Ze bezwoeren zich elkaar toe te behoren, en, omdat mevrouw Hanska gehuwd was, op elkaar te zullen wachten. Ze troffen elkaar opnieuw in Geneve, later weer in Wenen. Vanaf de zomer van 1835 moest Balzac zich er bij neerleggen haar per brief van zijn onwankelbare liefde te verzekeren, en van tijd tot tijd over haar te dromen. “Ik heb van U gedroomd, en dat gebeurt me geen zes keer per jaar,” schreef hij haar in het voorjaar van 1842. In de herfst van het zelfde jaar: “ik droomde over U, ik drukte u aan mijn hart, ik hoorde uw stem, en werd door uw glimlach en uw hemelse blik getroffen, dromen waarin ik u terugvond, zoals U in Geneve was, dromen die wellicht mooier zijn dan de werkelijkheid, zoveel hemels licht en glans spreidt God daarover uit. Had ik toch elke acht dagen zo’n droom, dan kon ik zelfs ons gescheiden zijn dragen, als die echt te dragen zou zijn. Pas na een scheiding van acht jaren zag hij haar in de zomer van 1843 terug, in St Petersburg – haar man was intussen gestorven, ze was vrij, maar het duurde nog drie jaar voor ze zich verloofden. In maart 1850 was de bruiloft. Eva was toen zesenveertig jaar. Al na vijf maanden overleed Balzac, zij overleefde hem met tweeëndertig jaar.”

portret van Eva Hanska door Ferdinand Georg Waldmüller (1793–1865)

‘… als in de fabel van de twee vrienden’: naar een fabel van Lafontaine;
‘… die met ons in Wenen was’: Balzac had Eva Hanska in Wenen ontmoet, hij verbleef er van mei tot begin juni 1835;
‘… dat u niet mooi bent’, Balzac had, nadat hij Eva Hanska had leren kennen,  haar schoonheid beschreven in een brief aan zijn zuster Laura: “Wonderschoon … de mooiste zwarte haren van de wereld, de zachtste, heerlijk fijne huid van een brunette, een kleine hand om verliefd op te worden … ze heeft smachtende ogen die in een zalige glans oplichten.” Toen tegen hem werd gezegd dat ze niet mooi was, droomde hij dat ze helemaal niet veranderd was.
‘… mevrouw van B.’: Laura Antoinette de Berny, geboren  Hinner (24 mei 1777 ~ 27-07-1836); Balzac schrijft over haar: “mevrouw de B. was, hoewel getrouwd, als een God voor mij. Ze was voor mij moeder, vriendin, familie, vriend en raadgever; zij heeft de schrijver gemaakt, en de jonge man getroost, mijn smaak gevromd; ze heeft met mij als met een zuster gehuild en gelachen; dag na dag kwam ze als een weldadige slaap om mijn pijn zachtjes in te wiegen.” (uit een brief van 19 juli 1837)

 Henri Nicolas van Gorp: Madame Laure de Berny

De pijp van de schoenlapper

In Scribner’s Magazine van november 1899 staat een mooi artikel over “Het Parijs van Balzac”, een verhandeling over de plekken waar Balzac heeft gewoond, tevens een beknopte levensschets.
Navolgend het slot van het artikel.
«”Op de 18e augustus 1850″, schrijft Hugo in zijn “Choses Vues”, zei mijn vrouw, die overdag bij mevrouw Balzac was geweest, dat hij stervende was. Mijn oom, generaal Louis Hugo, dineerde bij ons, maar zo gauw de maaltijd voorbij was, verliet ik hem en nam een rijtuig naar de  Rue Fortunée, in de wijk Beaujon, waar Balzac woonde. Hij had daar een paar gebouwen gekocht die er van de afbraak van de huizen van de heer Beaujon nog restten, en daar had hij een charmant klein huis van gemaakt, elegant gemeubileerd, met een porte-cochère aan de straat, en in plaats van een tuin een lange smalle bestraate hof met hier en daar verspreid wat bloembedden.
Hugo reed naar nummer 14 aan de Fortunéelaan. Die voorstedelijke laan is tegenwoordig (dus: in 1899) verbreed tot de Rue Balzac, en waar deze de Rue du Faubourg-St Honoré kruist, is een stuk tuinmuur waarin een tegel eraan herinnert dat op deze plek de plaats was van zijn laatste huis. Het huis zelf is verdwenen, maar men kan boven de muur het bovenste deel van een stenen paviljoen met Griekse zuilen zien uitsteken, dat naar verluidt door hem is gebouwd.
“Ik belde aan”, vervolgt Hugo, “de maan versluierd door wolken, de straat verlaten. Er kwam niemand. Ik belde opnieuw. Een huilende vrouw deed het hek open. Ik stelde mijzelf voor en werd in de salon op de begane grond gelaten. Op een piëdestal tegenover de open haard was een enorme buste gemaakt door David. Op een mooie ovalen tafel in het midden van de kamer brandde een waskaars. […] We liepen door een gang en beklommen de trap met een rode loper, waarlangs talloze kunstwerken stonden en hingen, beelden, schilderijen, vazen. […] Ik hoorde iemand luid en moeilijk ademen. Ik was in Balzac’s slaapkamer.”
“Het bed stond middenin de kamer. Balzac lag er in, ondersteund door een massa kussens. Zijn gezicht was paars, bijna zwart, en leunde naar rechts. Het haar was grijs en tamelijk kort geknipt. Zijn ogen waren open en staarden voor zich uit. Ik zag hem en profil, en zo leek hij veel op Napoleon […] Ik tilde het dek op en pakte zijn hand, die klam was van het zweet; hij reageerde niet op de druk. […]”
De buste die Hugo zag was gemaakt door David d’Angers, een verkleinde kopie ervan staat nu op het graf van Balzac. Zijn portret, in aquarel, werd binnen een uur nadat hij was overleden gemaakt door Eugène Giraud. Het is een ontroerend portret van de man, zijn weduwe vond het meer gelijkend dan enig gedurende zijn leven. Terwijl het lange lijden was verlicht, had het ook zijn gezicht verfijnd, en er was jeugd in te zien, kracht, majesteit. Het is het hoofd van een Titaan, die een niet te benijden alst droeg gedurende een leven van moedig en hard werken.


Balzac’s dood raakte kennelijk bijzonder snel bekend bij zijn schuldeisers, ze waren al snel aan de deur, een invasie in het huis – een roofzuchtige, plunderende horde die van kamer naar kamer trok, op zoek naar waardevolle spullen. Ze joegen de weduwe weg, zij vond tijdelijk onderdak bij Mme de Surville in de Rue des Martyrs, nr 47. Dit huis en nummer zijn tot heden (1899) ongewijzigd.
Kasten en laden werden opengetrokken, en overal werden papieren, schetsen voor nieuwe artikelen verspreid, en veel wat kon worden gered werd verzameld door zijn vrienden die zich ook naar de plek des onheils hadden gespoed. Zelfs in winkels in de buurt vonden ze later nog manuscripten, klaar om de boter en levensmiddelen in te verpakken. Eén karakteristieke en waardevolle brief werd in drie delen, in drie verschillende locaties opgespoord door een fan, het eerste deel nog net voor er de pijp van een schoenlapper mee werd aangestoken.
“Hij overleed ‘s nachts”, vervolgt Hugo, “Eerst werd hij naar de Chapel de Beaujon gebracht […] De begrafenisdienst werd gehouden in de Saint-Philippe-du-Roule. Toen ik bij de kist stond  herinnerde ik mij dat mijn tweede dochter daar werd gedoopt. Sindsdien was ik niet meer in die kerk geweest.”
“De rouwstoet ging dwars door Parijs, via de grote boulevards, naar de begraafplaats Père Lachaise. Toen we de kerk verlieten en toen we de begraafplaast betraden, regende het. Het was één van die dagen warop de hemel schijnt te huilen. We liepen de hele afstand. Ik liep aan het hoofd van de kist, één van de zilveren kwasten van het lijkkleed vasthoudend. Alexandre Dumas liep aan de andere kant. […] Bij het graf aangekomen, bovenaan de helling van een heuvel, was er een grote menigte samengestroomd. Terwijl de kist in het graf, dichtbij dat van Charels Nodier en van Casimir Delavigne, werd neergelaten, zeiden de priester en ik enkele woorden. Terwijl ik sprak ging de zon onder. Heel Parijs lag voor mij, ginds, in de stralende flarden van de zakkende schijf, de schijn waarvan de laatste resten in het graf aan mijn voeten schenen te vallen, terwijl de doffe geluiden van de zoden die op de kist vielen zich met mijn wooden mengden.”
Ja, uitgestrekt voor zijn graf ligt heel Parijs, zoals zijn Rastignac het zag, terwijl hij zich van de fosse-commune omdraaide nadat hij daar net het lichaam van  Père Goriot had ingegooid, en met zijn geheven vuist tartte hij de grootse, mooie, wrede stad: “A nous deux maintenant!”»


(bewerkt detail van een foto van Jim Linwood op Flickr )