Bankjes zijn belangrijk

Eindelijk hadden ze een besluit genomen. Het verlangen, ongeleid, ongeïnspireerd maar manifest, zou gaan vorm krijgen. Het huurhuis, met de stinkende lawaaiïge bushalte voor de deur, zou plaats maken. Het eerste Eigen Huis. Met z’n tweeën konden ze dat wel betalen. Zoeken. In kranten, bij de kennissen en in de etelage van de makelaar. Meestal werd niets gevonden. Te duur, te ver weg of te klein.
Tot die ene tip, die ene bezichtiging op een warme zaterdagmorgen in augustus, volop vakantietijd. Het huis leek op dat waar je als kind, bij je oom en tante, logeerde, zo vertrouwd. Koop je zò een huis? Moet je daar, tenminste, niet over spreken?
Fietsen, terug van de bezichtiging. Langs het park. – Laten we daar even gaan zitten, en overleggen. Overleggen. Doen? Doen! Al na acht weken kan het grote inpakken beginnen.

.
Zo’n bankje vergeet je niet.

Bankjes zijn belangrijk in een mensenleven. Je kunt
eigenlijk niet zonder bankjes.  Ze markeren zo belangrijke momenten in een bestaan.

.

Heel veel bankjes-foto’s bij Ipernity

 

Het Ding

De etymologie van het woord bank gaat, volgens het onvolprezen Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries, terug op een oude indogermaanse stam, te weten het woord bheg, buigen. Dat woord heeft ook gevolg gehad voor het Germaanse woord baka, rug (vergelijk het Egelse ‘back’). Maar wat heeft de rug nou met het bankje te maken?

De betekenisontwikkeling zou dan van een “gewelfde verhoging” via “de aardrand waarop men zitten kan” rechtstreeks doorgaan naar een zitplaats van hout. De Vries voegt er eigenhandig aan toe dat men “kan denken aan de aardwal om de dingplaats waarop de mannen zaten, en waarvoor later banken werden gebruikt”. Ietsje vergezocht, maar wel een mooie verklaring.

Toch blijft het al bij al, in de etymologie een “verhoging” – denk bijvoorbeeld ook aan het Engelse “riverbank”, maar ook – hoewel het niet zo vaak meer wordt gebruikt – aan een wolkenbank (in de lucht dus).

Dat Ding maakt het natuurlijk wel aardig. Die Germaanse oervorm van democratie, waarin de wetten werden besproken (en later, afgekondigd), waar werd rechtgesproken – ons woord “geding”. Het leeft tot in onze jaren voort. De 5e juli is de “nationale” feestdag van het Isle of Man, het vriendelijke eiland in de Ierse Zee. Het is dan Tynwald Day. Genoemd naar de heuvel Tynwald, aan de weg van Douglas naar Peel in het plaatsje St John, waar de mensen van Man zich eens per jaar verzamelen voor het aanhoren van de wetten die in de voorgaande twaalf maanden zijn aangenomen. Ze worden voorgelezen in het Engels en in het Manx, de oude Gaelic-achtige taal van het eiland. De ceremonie, in aanwezigheid van alle hoogwaardigheidsbekleders, bestuurlijk en klerikaal, van het eiland, èn de gouverneur (de vertegenwoordiger van de Britse troon), begint om half elf in de ochtend. De traditie dateert al uit de tijd van, en is ook geïntroduceerd door, de Vikingen, die het eiland rond de negende eeuw in bezit namen, waardoor het zelfs nog lang eigendom van Noorwegen is geweest. Op IJsland is een vergelijkbare plek, Thingvellir, waar van 930 tot 1798 het parlement, het Althing, bijeenkwam.
Nog even terug naar de woordverklaring: Van Wijk heeft zich met Franck’s Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (1912/1949) ook verdienstelijk gemaakt. Hij deelt mee dat de wortels bheg en bhreg (breken) met de zelfde betekenis naast elkaar voorkomen. Dat is wel extra aardig, want hij verwijst daarbij weer naar het woord “brink”. Dat dikwijls zo fraaie, lommerrijke plein in Drentse dorpen (en natuurlijk niet alleen daar) waar de inwoners elkaar net zo troffen als ze tegenwoordig nog doen op al die pleintjes in Frankrijk of Italië. In het Drenthe van het derde millenium zijn het vooral hen die moegeworden van een fietstochtje, even op een bankje aan de brink neerstrijken – hoewel, liever nog even op het terras.

 

In de herberg

Hoe lang zijn er al bankjes?
Zou het zo begonnen zijn? Gaat het om de aankomst, het arriveren. Vroeger vaak toch, na lang zwoegen, het bereiken van de Herberg. Na de modder, de kuilen, de struikrovers of een lange tocht in de hitte, eindelijk is daar dan gindse uitspanning. Grijs brood, een pul bier. Een kippepoot of een brok kaas. Even bijkomen, niet op een krukje, nee, daarvan zijn er te weinig, dat zou ook zo ongezellig zijn. Kom, schik eens een beetje op, en vertel het laatste nieuws. Dat is sociaal, en bevordert de orde. Netjes samen op de bank.
Hier en daar is geschreven dat de Romeinen er al mee begonnen, met banken.
Die van hout hebben het niet overleefd tot heden, maar die van steen… Tot ver in de Middeleeuwen was het de meest gebruikte vorm om te zitten, in die tijd was een stoel een zeldzame luxe, voorbehouden aan de graaf of aan een hoge prelaat. Banken werden niet alleen gebruikt om op te zitten, maar waren ook handig als bed, en als tafel. Daar waren ze toen ook breed genoeg voor.
Vrijstaande banken (in het Engels een settle) zijn een hoofdstuk apart. Die werden ook tot heel laat gebruikt, en hadden zelfs in Engeland in het begin van de 20e eeuw een korte rivival. Daar kwam er nog één functie bij, die van kast: til de zitting op, en er is een mooie bergruimte.
De rug, en de zijkanten werden versierd, in de zeventiende eeuw in Zuid-Amerika zelfs zo mooi, dat er een hele industrie rond ontstond, vooral in Peru. Dan kwam er vergulding aan te pas, overdadig houtsnijwerk en fraaie schilderingen.
Pas in de zeventiende eeuw kwam er een polstering (van leer), en kantelde de rugleuning een stukje: de bank werd ineens een weinig comfortabel. Maar we hadden het over buiten – het gaat hier over het bankje, de bank, als straatmeubilair.

 

Bankjes: koud

Bankjes in hun huidige vorm komen vooral uit de latijnstalige landen rond de Middellandse Zee. Mensen zijn daar veel meer dan in onze contreien gewend om buiten te verkeren. En dan kun je niet steeds staan. Niet alleen de centrale pleinen in een enig stedelijke omgeving, ook in de grotere dorpen kwam het wel voor dat de voortuin van het grootste landgoed werd uitgebreid voor algemeen gebruik. Maar dan moet het natuurlijk wel mooi weer zijn!

 

Bankjes: Hausmann

Georges-Eugène, Baron Haussmann (1809 – 1891) krijgt eigenlijk in zijn eentje alle credits voor de hervorming van het middeleeuwse Parijs tot de stad zoals deze zich ook hedentendage -althans wat betreft het centrum- nog toont. Daarnaast heeft zijn werk gevolgen gehad voor het aanzien en de inrichting van steden over de hele wereld.
Haussmann werd, na een studie rechten, in 1831 ambtenaar en zijn carrière verliep voorspoedig. Als prefect van het departement Seine, vanaf 1853, begon hij met zijn grote publieke werken. Onder zijn leiding werd tweevijfde van het toen bestaande centrum van Parijs afgebroken en vervangen door de brede boulevards en avenues die we nu nog kennen. Die werden verfraaid met grote parken, waarin voor het eerst op grote schaal banken werden geplaatst.

In de literatuur zijn drie hoofdredenen voor al die veranderingen aangegeven, ze zijn plausibel genoeg om hier te herhalen – een esthetische (meer licht), een economische (efficiënter transport) en een militaire (opstandelingen konden niet meer eenvoudig barricaden opwerpen, en te paard gemakkelijker achtervolgd). De veranderingen werden tegelijk aangegrepen voor een aanpassing van de watervoorziening en voor een sterk verbeterde riolering; er kwam straatverlichting. Veel van deze ideeën kwamen overigens van Napoleon III, maar het was toch Haussmann’s werkkracht die er voor zorgde dat het niet bij ideeën bleef. De werken werden betaald uit publieke middelen (het autocratisch bestuur ging enorme leningen aan), waarop nauwelijks publieke controle was. Uiteindelijk resulteerde dat in het ontslag van Haussmann in 1870.

 

Wetering

De introductie van parken in de stad van toen nog de toekomst, door Haussmann, veroorzaakte ook een zekere democratisering van het gebruik van de openbare ruimte. Het denken daarover veranderde, net als het gebruik van straatmeubilair.
Daardoor komen ook ineens kinderen als kind in beeld. Een kind heeft recht (!) om te spelen. Dat vond vooral U.J. Klaren, een voorstander, ja voorvechter van speeltuinen. Hij beoogde met openbare speeltuinen een betere omgeving te creëren voor kinderen uit de lagere sociale klassen “om hen zo tot zelfbeheersing en een ferme degelijkheid te brengen”.
De eerste speeltuin van Nederland werd op 8 mei 1880 feestelijk in gebruik gesteld in het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam.

Het kan verkeren. Ruim honderdtwintig jaar later noteert Henk Spaan over het zelfde plantsoen het volgende.

«Drinkende daklozen
Naar zwervers kijk ik met gemengde gevoelens. Op een mooie voorjaarsmiddag heb ik de vaste zwervers van het Tweede Weteringplantsoen zien voetballen op het grindpad. Het ging met lawaai gepaard en veel gelach. Sommigen hadden een aardige pass in de voeten. Ik dacht: hier ga ik een filmpje van maken. Een poëtisch filmpje over voetballende daklozen met een drankprobleem.(…)
In Parijs zijn de parken voor de moeders en de kinderen. Geen zwerver die er een poot aan de grond krijgt. In Parijs wandelt er een agent door het park. Zodra een zwerver zijn fles aan de mond zet, wordt hij door de agent verwijderd. En als hij naar pis stinkt, mag hij niet in het gras liggen.(…)
Van het gedicht Nieuwe Kerkstraat door Gerrit Komrij, citeer ik de tweede helft.

Ter hoogte van Fijnstrijkerij ‘Van Buiten’
Zie je ineens een oude zwerver sjokken.
‘Het einde is nabij’, roept hij. Spuit elf.
Zijn slijm vliegt rond. Het is een enge vent.
Je weet wel wie het is. Je bent het zelf.
Toch doe je mooi alsof je hem niet kent.

De dichter geeft gestalte aan gemengde gevoelens. Sinds een paar weken is het aantal zwervers in het Tweede Weteringplantsoen verdubbeld. Dat komt omdat de bewoners aan het Eerste Weteringplantsoen zó hebben geklaagd, dat de zwervers daar niet meer mogen drinken. Nu zijn ze met zijn allen, hun zwerfhonden aan een touw, neergestreken in het Tweede Weteringplantsoen. Dat noemen ze in Amsterdam besturen. ”Ze doen toch niks?” zegt de bestuurder. Dat moet hij tegen de kinderen vertellen. Kinderen zijn bang voor zwervers, of ze iets doen of niet.
Dat de laatste toevlucht van de drinkende daklozen het voortuintje van een bierbrouwer is, zou je een ironische speling van het lot kunnen noemen.»

 

Stedebouw

Het zijn niet alleen Hausmann of kindvriendelijke gemeentebestuurders die aandacht hebben voor bankjes. Het is een heus onderdeel van stadsplanning. R. Blijstra schreef er al in de zestiger jaren over, in zijn Nederlandse Stedebouw na 1900. Na de Tweede Wereldoorlog ging het dan vooral om het openbaar groen, ingetekend tussen de grauwe flats, waar kinderen moesten kunnen spelen. De moeders konden daar dan weer toezicht op houden. Op het bankje. Foto boven is uit het desbetreffende boek.

Dit is de passage uit het boek van Blijstra (Nederlandse Stedebouw na 1900 – uitg. P.N. van Kampen en zoon, Amsterdam; zj (1965?) – pag 51-5):

(…)
Hoe komt dus de architectonische kant van de stedebouw tot uiting, die op de buitenstaander, die echter tevens gebruiker en dus deelhebber is, de grootste indruk maakt? Het kan hem niet veel schelen hoe het komt dat de stad goed functioneert, daar moet ‘men’, dat zijn dus in dit geval de stedebouwkundigen, voor zorgen; wat hem echter onmiddellijk aangaat is: vindt hij de stad mooi? Is hij er graag?
Hoewel mooi vinden en ergens graag zijn niet altijd twee elkaar dekkende begrippen vormen, zijn ze bij velen vrijwel identiek: als men ergens graag is, als men iets aangenaam vindt om in te verblijven vindt men het uiterlijk ook meestal aangenaam om te zien en acht men de omgeving waarin men verkeert mooi. Schoonheid en doelmatigheid, gezelligheid en welbehagen, voldoening aan sociale en hygiënische eisen en fraaie rangschikking behoren in de stedebouw hand in hand te gaan en wat de gebruiker van dat alles bewust merkt, is niet altijd duidelijk en hij merkt de ene keer ook iets anders dan de andere keer. Bij het ontstaan van stedebouwkundige details is evenmin altijd na te gaan wat er eerst was: de behoefte tot een in sociaal opzicht bevredigende oplossing of de neiging van de architect iets fraais tot stand te brengen. De vraag dus: “hoe zijn we van een gesloten stenen stad tot een open groene stad gekomen”, is niet rechtstreeks te beantwoorden.
De overtuiging die reeds op het einde van de negentiende eeuw heeft postgevat, dat de mens recht heeft op een behoorlijke huisvesting, heeft de stedebouw beïnvloed, maar men kwam toen niet meteen op het denkbeeld om bij voorbeeld de woning op de zon te oriënteren of gemeenschappelijke tuinen aan te leggen of groenstroken tussen het verkeer en de woonbuurt te leggen. Gemeenschappelijke tuinen in gesloten blokken werden reeds in de twintiger jaren aangelegd en in diezelfde tijd maakte men al overdekte galerijen, gevormd door de laagste balkons en een verdiepte vloer, waar de kinderen als het regende toch min of meer buiten konden spelen.
Aan de Scheepemtraat te ‘s-Gravenhage werd zelfs in 1903 door de architect J. van der Pek reeds een gemeenschappelijke tuin ingericht. De vraag deed zich toen reeds meteen voor of men deze tuinen als ‘kijktuinen’ vrij van bezoek moest houden, of dat men de kinderen de gelegenheid moest geven hier te kunnen spelen. Hiertegen bestond vooral bij de tuinen die op geheel door woningen omgeven binnenterreinen gelegen waren, het bezwaar dat de bewoner noch vóór, noch achter in zijn woning rust vond.
S. van der Galen wijst in een artikel in Bouw (1954, blz. 754/757) op die eerste moeilijkheden. Nadat hij de aandacht erop vestigt, dat vooral zieken en arbeiders in continubedrijven, die dus overdag moeten slapen, veel hinder van zulke op binnenterreinen gelegen speelplaatsen hebben, komt hij tot de conclusie dat ze daar niet thuishoren. Wil men de omwonenden te grote overlast besparen, dan dient er regelmatig toezicht te zijn en dat toezicht zal helaas moeten bestaan uit het verbieden van veel voor de jeugd aantrekkelijke bezigheden, met weer als gevolg dat zelfs de zes- en zevenjarige kleuter het al gauw een saaie bedoening vindt en liever de straat opzoekt, waar het volle leven hem wacht.
Het systeem dat in verschillende steden meer en meer toepassing vindt, waarbij de speelwerktuigen in de onmiddellijke nabijheid van, maar buiten de woonblokken worden geplaatst, acht Van der Galen de juiste en door de jeugd meest gewaardeerde oplossing. De bewoonsters heb- ben haar kinderen toch in de omgeving, terwijl deze zich niet in het benauwde keurslijf behoeven te bewegen, dat nu eenmaal bij het spelen op een binnenterrein moet worden aangelegd. Hoewel hiervoor aan de overwegingen om de kijktuin tevens als recreatietuin te benutten werd gedacht, heeft men ook al in de eerste tuinen, waarschijnlijk reeds in 1911, het nut van de tuin als plaats van verpozing voor de ouderen niet over het hoofd gezien.


Reeds in die eerste tuinen werden zitbanken gezet in daarvoor speciaal beplante hoekjes, hier en daar werd een fontein geplaatst, zelfs hadden enkele bewonerscommissies geld bijeengebracht voor het plaatsen van een muziektent. In het begin was er veel belangstelling. Vooral wanneer op mooie zomeravonden een zang- of muziekgezelschap uitvoeringen kwam geven, kon er een gezellige drukte in de tuinen heersen. Langzamerhand is hierin echter verandering gekomen en de belangstelling voor de schaarse concerten is nog maar matig.
De banken staan er nog wel en de fontein wordt op warme zomerdagen nog in werking gesteld, maar de tuin wordt niet meer bezocht, de bewoners blijven liever op hun waranda van het rustige uitzicht op de tuin genieten. Wanneer de volwassenen de deur uitgaan, sluiten zij zich blijkbaar evenals de jeugd niet graag op in een aan alle kanten door huizen omgeven tuin, maar maken liever gebruik van de banken die elders van gemeentewege op de daarvoor geschikte plekjes zijn neergezet.
Men heeft ook nog wel eens op een andere manier getracht een band tussen de bewoners en de tuin te scheppen, n.l. door hen bij het onderhoud ervan in te schakelen. Vooral ook omdat velen aanvankelijk hun eigen tuintje misten, veronderstelde men dat hiervoor wel belangstelling zou bestaan. Dit viel echter op den duur niet mee: men begon geestdriftig, maar weldra liet de een na de ander zich verontschuldigen en daarna moest de tuin door een gehuurde tuinman onderhouden worden. Als kijktuin hebben deze eerste gemeenschappelijke tuinen in gesloten blokken zeer zeker hun waarde. Zij hebben de aanblik op de achterzijde der huizen verfraaid en voor de veelal verwaarloosde schuurtjes en hokken een bloemenweelde in de plaats gezet. Het ware te wensen, dat men ook nog de vele binnenterreinen die in achtertuintjes zijn verdeeld als gemeenschappelijke tuinen in zou kunnen richten. Ondanks het voorbeeld van de open tuinsteden, kan men de bewoners van de gesloten blokken met afzonderlijke achtertuinen er blijkbaar niet toe brengen gezamenlijk een gemeenschappelijke tuin te laten aanleggen. (…)


 

Zwerver

Je hóórt de opmaakredacteur van Binnenlands Bestuur (een weekblad voor “ambtenaren en bestuurders van lagere overheden”) denken “ach, dat zien ze toch niet”.

Bovenstaand stukje stond in Binnenlands Bestuur van 18 april 2003.

Wat zouden ambtenaren en bestuurders van lagere overheden toch tegen zwervers hebben? Het is vast niet netjes genoeg, zo’n vieze ouwe man op een bankje…

 

Veranda

Molly G. Schuchat, cultureel antropologe in Amerika, heeft in een vriendelijke schets de functie beschreven van een reeks bankjes tussen een drukke snelweg en de uitloper van een park, in Washington DC. Ze woont in de buurt. Haar conclusie, op basis van anderhalf jaar “participerende observatie” en gesprekken met betrokkenen is even eenvoudig als voor de hand liggend.

De banken functioneren als een gemeenschaps-veranda, een brug tussen het publieke en het private. Een territoriale, maar tevens symbolische ruimte; de banken zorgen er voor dat de verschillende “elementen” van de stad vredig bijeen kunnen zijn. Die vredigheid is relatief, de banken werden in het midden van de jaren tachtig vastgeketend, omdat vandalen ze steeds van de voorliggende helling gooiden. Het Hoofd Onderhoud van het park, herinnert zich hoe lastig het was de banken weer terug omhoog te rollen “vooral bij nat weer”. Tegelijk geven ze gelegenheid voor een moment van rust temidden van de dagelijkse hektiek als ook een bestemming voor hen die met vogels en eekhoorns willen voeren.
Molly’s slotsom luidt dat flatbewoners een veranda (het Amerikaanse porch) willen bij hun huis. Als dat dan niet kan, dan tenminste een stoep, of andere verhoging, om op of naast het voetpad te kunnen zitten. Maar architecten en andere plannenmakers hebben daarop vaak geantwoord in de vorm van balkons, en van besloten achtertuinen. Die ontberen de mogelijkheid op het niveau van oogcontact te verkeren met medebewoners. Ontberen daardoor de mogelijkheid om bekende gezichten te (gaan) herkennen, het patroon van activiteiten èn de veranderingen waar te nemen die daarin plaatshebben.

 

Snipper

Vijf minuten rust in de jachtige ochtendspits.
Dat biedt het IKON-pastoraat met het korte programma Snipper

Snipper op 4 juli 2000 ~ door Eddy Reefhuis

In de straat waar ik woon is net tegenover ons huis een nieuw zitbankje gekomen. Zulke bankjes zijn er wel meer. Ik woon in een lange straat met aan beide zijden van die aaneengesloten rijen hoge huizen, met de voordeuren twee aan twee – een van het beneden- en een van het bovenhuis – pal aan de straat. Maar hier en daar staat dan voor een huis een bankje op de stoep. En achter dat nieuwe bankje woont een jong gezin met twee kleine kinderen. Als het aardig weer is, zit de moeder ‘s middags op dat bankje met haar kinderen – het jongste op schoot, de oudste spelend om haar heen. Als kind had ik een hekel aan spelen vóór het huis. Al die voordeuren waren op slot en alleen wie de goede sleutel had of een goede reden, kon erin. Inmiddels snap ik de reden voor die ontoegankelijkheid natuurlijk wel. Ik doe mijn huis ook op slot als ik wegga. En als ik thuiskom, vind ik het ook wel lekker om de deur achter me te sluiten en in huis ongestoord mijn eigen gang te kunnen gaan. Maar vriendelijk vind ik het nog steeds niet, al die dichte deuren op een rij. Daarom ben ik zo dol op zulke bankjes. Die strenge geslotenheid doorbreken die bankjes een beetje. Ineens zitten er mensen buiten en zijn ze aanspreekbaar. En dat gebeurt ook. Mijn overbuurvrouw zit nooit lang alleen met haar kinderen op haar bankje. Binnen de kortste keren blijkt, dat er veel meer mensen met jonge kinderen thuis zitten. Vooral de moeders uit de bovenhuizen komen op dat bankje af. Die hebben geen eigen stoep, dus ook geen ruimte voor een eigen bankje. En de anderen delen hun bankje graag. En als er dan zo’n groepje is ontstaan, blijven ook voorbijgangers zonder kinderen wel eens staan voor een praatje. Op die manier ken ik ze nu ook. Het geheim van dat gebeuren zit natuurlijk niet in dat bankje, maar in de mensen daarop en eromheen. Zonder mijn overbuurvrouw die dat bankje heeft neergezet, was er niks van gekomen. En die anderen die zelf geen bankje hebben, zijn al even onmisbaar. En het allerbelangrijkste, zeggen die moeders zelf, zijn de kinderen. Dat zijn de eersten die om tijd en aandacht vragen. Maar dan hebben die moeders ook gelegenheid om elkaar te ontmoeten – soms letterlijk aan de hand van hun kinderen. Het geheim zit dus niet in die bankjes, en zaligmakend zijn ze ook niet. Want laatst schreef iemand in de krant hoe ongelukkig ze nou juist werd van die bankjes. In haar buurt leken die welhaast verplicht voor ieder huis, en dan móest je je er ook regelmatig op vertonen. Tja – het zal de eerste keer niet zijn, dat mensen elkaar klem zetten met wat zo leuk begonnen is. Maar waar de vrijheid nog bestaat of zelfs bewaard kan worden, is zo’n eenvoudige ontmoetingsplek werkelijk een aanwinst. Want ineens weet je wèl, wie je buren zijn en groet je ze ook. Zo leer je je eigen straat anders zien en kennen. En daarvoor is dat bankje dan toch de aanleiding. Het is een soort van klein haakje waar mensen, die anders door zouden lopen, nu even aan blijven hangen. Dat kost een beetje tijd, natuurlijk. Maar die bankjes zorgen er ook voor dat mensen voor elkaar tijd máken.